Kori Kollo

De case rond de Kori Kollo goudmijn is een emblematische zaak waarbij een transnationaal mijnbouwbedrijf waardevolle edelmetalen meeneemt en een ernstig verontreinigde streek achterlaat voor de lokale bevolking. Catapa volgt deze zaak al van bij het ontstaan op ism lokale partners CEPA en Coridup.

Situering

De Kori Kollo goud- en zilvermijn bevindt zich op ca. 3710 meter boven de zeespiegel in de Boliviaanse hoogvlakte (altiplano). De mijn maakt deel uit van het departement Oruro en ligt ruim 42 km ten noordwesten van de stad Oruro en ruim 160 km ten zuidoosten van hoofdstad La Paz. Oruro kent een semi-aried klimaat, wat inhoudt dat 9 maanden relatieve droogte worden afgewisseld met een regenseizoen van 3 maanden. Over 12 maanden heen is er een netto neerslag tekort, er verdampt meer water dan er valt. Bijgevolg is zoet water relatief schaars.
De mijn ligt aan de Desaguadero rivier, die voornamelijk wordt gevoed door het Titicacameer en uitmondt in de meren Poopó en Uru Uru. Ter hoogte van Kori Kollo splitst de rivier zich in twee: de linkerarm stroomt naar het Uru Uru meer vanwaar het water overloopt in het Poopó meer, de rechterarm stroomt rechtstreeks naar het Poopó meer. Beide meren vallen onder de internationale Ramsar conventie wat betekent dat zij erkend worden als draslanden (eng: wetlands) van internationaal belang.

Mijn

De Kori Kollo mijn werd actief uitgebaat van 1980 tot 2010 door het bedrijf Empresa Minera Inti Raymi S.A. (EMIRSA). Deze vennootschap kende verschillende (meerderheids-)aandeelhouders doorheen de tijd. Aanvankelijk was de verdeling onder aandeelhouders 50% Boliviaans (met Zeland Mines of Bolivia) en 50% Noord-Amerikaans (Westworld Resources, VS). Vanaf 1988 begon Battle Mountain Gold zich in te kopen om tegen 1995 ca. 88% van de aandelen van EMIRSA in handen te hebben. In 2001 werd Battle Mountain Gold overgenomen door Newmont Mining Corporation. Deze laatste verkocht in 2009 al zijn aandelen aan het Boliviaanse Compania Procesadora de Minerales SA met een clausule om de komende jaren nog een jaarlijks forfaitair bedrag te ontvangen van EMIRSA. 
Rond 1980 begon de eerste exploratie en voorbereidingen voor de latere exploitatie. Vanaf 1984 werd er actief erts (oxides, en later sulfides) ontgonnen en ter plaatse verwerkt door het vermalen en stapelen van erts op uitloogplatformen die besproeid worden met cyanide. Het cyanide onttrekt de verschillende edelmetalen (oa goud en zilver) aan het erts. Deze oplossing wordt opgevangen en vervolgens verwerkt om uiteindelijk enkel de edelmetalen over te houden.

Tussen 1985 en 2010 werd er in totaal 122’633 kg goud en 382’501 kg zilver geproduceerd. De mijn geneerde ook 144 miljoen ton afvalgesteente, verbruikte minstens 53 miljoen m³ water. Kori Kollo was oorspronkelijk de naam van een berg die tijdens de ontginning volledig is afgegraven tot een diepte van ca. 240 meter diep. Deze put werd in het kader van de sluiting van de mijn opgevuld met water uit de Desaguadero rivier. 

Milieu

De Kori Kollo mijn heeft verschillende gevolgen voor de omgeving, en dan voornamelijk stroomafwaarts. Naast geluids- en stofoverlast, de cyanidetransporten, en het dumpen van het verontreinigde afvalgesteente, situeren de grootste problemen zich rond water en dat op verschillende manieren.

  1. Doordat de mijn grote hoeveelheden zoet water nodig heeft voor zijn ontginnings- en productieprocessen werd de stroming doorheen de rechterarm van de Desaguadero rivier kunstmatig verhoogd door het uitvoeren van graafwerken. Daardoor ontvangt het Uru Uru meer (gevoed door de linkerarm) minder water waardoor het gevoelig kleiner is geworden. Dit wordt door EMIRSA ontkend, maar werd met behulp van historische satellietbeelden door onderzoekers van de lokale universiteit (UTO) bevestigd. Een groot deel van het water dat afgetapt wordt uit de rechterarm van de rivier gaat verloren in het productieproces.
  2. Bij het graven van de mijnbouwput is er een continue aanvoer van grondwater in de put. Om de put droog te houden wordt het (zoute) grondwater opgepompt en opgeslagen in grote verdampingsmeren. Omwille van de samenstelling van de ondergrond bevat dit water ook hoge concentraties aan zware metalen. Het water verdampt waarna er een zoutkorst (met zware metalen) achterblijft. Bij hevige neerslag in het regenseizoen krijgen deze verdampingsmeren soms te grote hoeveelheden water te slikken waardoor de dijken kunnen breken. Het vrijgebroken water komt dan in de rivier terecht die het zout en de zware metalen meevoert naar het Poopó meer. Onderweg kan ook de rivier buiten haar oevers treden en zo verontreinigd slib achterlaten.
  3. Het oppompen van grondwater om de mijn droog te houden heeft ook een invloed op de grondwaterhuishouding. Verschillende gemeenschappen stroomafwaarts van de mijn klagen over opgedroogde en/of verzilte grondwaterputten.
  4. De gebrekkige opslag van het verontreinigde afvalgesteente leidt tot het vrijkomen van zware metalen die in de bodem infiltreren en zo het grondwater verontreinigen.

Verzet

De vissersgemeenschappen uit het Uru Uru meer beweren dat ze reeds in de jaren ’80 de gevolgen van Kori Kollo mijn al konden voelen. Ook andere landbouwgemeenschappen stroomafwaarts van de mijn begonnen mettertijd steeds meer hinder te ondervinden: verzilt grondwater, geboortes van misvormde dieren, gezondheidsproblemen bij mens en dier, verzilte bodems, watertekort. EMIRSA kreeg pas rond 1997 een milieuvergunning voor de mijn aangezien er daarvoor geen milieuvergunning verplicht was omdat er eenvoudigweg geen milieuwetten bestonden die dit soort operaties konden vatten.
De klachten werden steeds talrijker en luider en in 2000 verenigde ca. 80 gemeenschappen in de organisatie Coridup (Coordinadora en defensa de la cuenca del Rio Desaguadero, los Lagos Uru Uru y Poopó). Er werden in totaal bijna 1000 officiële klachten over de mijn ingediend bij het ministerie, ondertekend door meer dan 10’000 personen. In 2003 leidde een hongerstaking tot een onderzoek in opdracht van de overheid. Het zou nog 6 jaar duren tot in 2009 het ministerie een officiële milieuaudit liet uitvoeren door een Boliviaanse Auditor (PCA Ingenieros Consultores SA) met geld van EMIRSA (1,25 miljoen dollar). De overheid zou instaan voor de onafhankelijke controle. Het Centro de Ecologia y Pueblos Andinos (CEPA), een lokale ngo uit Oruro, ondersteunde Coridup in hun strijd voor socio-ecologische rechtvaardigheid door het aanbieden van technisch-wetenschappelijke, juridische, en organisatorische steun. 

Audit

De opstart van de audit was moeizaam en uiteindelijk liep de audit behoorlijk wat vertraging op. De audit werd uitgevoerd in 3 fases. Bij het verschijnen van het tussentijds rapport kreeg iedereen de kans de tekst door te nemen en om binnen de 15 werkdagen opmerkingen te formuleren aan de overheidscommissaris. Catapa en Cepa coördineerden samen een team van Belgische en Boliviaanse vrijwilligers die de omvangrijke documenten (700-1200 pagina’s) nakeken. Het feit dat er binnen- en buitenlandse academici mee de audit opvolgden heeft ervoor gezorgd dat ook de overheid en het auditbureau zich gecontroleerd voelden en ook inhoudelijk bijstuurden.
Desondanks was de kwaliteit van het gevoerde onderzoek bedroevend. Voor sommige onderdelen werden verouderde onderzoeksmethoden gebruikt, was de expertise van de onderzoekers beperkt en het onderzoek niet geïntegreerd genoeg opgevat. Niettemin kwam men tot de conclusie dat er verontreiniging van grondwater, bodem, en oppervlaktewater vastgesteld werd, maar bleef men vaag over de juridische aansprakelijkheid van het mijnbouwbedrijf.
De lokale universiteit Universidad Tecnica de Oruro (UTO) voerde in opdracht van Catapa en Cepa een alternatieve studie uit naar de impact op het milieu van de Kori Kollo goudmijn met een veel beperkter budget. De financiële lasten werden verdeeld onder de verschillende instellingen. De conclusies van deze studie waren veel strenger. Het verleggen van de rivierarm, de mobilisatie van zware metalen in het grondwater, de verzilting van de streek, de ernstige impact op lokale fauna en flora werden wetenschappelijk gemotiveerd.

Nu?

Met het beëindigen van de officiële audit beschouwt de verantwoordelijke minister het dossier echter als afgesloten. Ondanks blijvend protest van Coridup beweegt er voorlopig weinig. Coridup heeft de situatie nu aangeklaagd bij de Mensenrechtenraad van de Verenigde Naties. Er werd in 2008 en 2009 immers reeds door de speciale rapporteur van de VN commissie erkend dat, indien er niets ondernomen werd om de milieuverontreiniging aan te pakken, de rechten van de inheemse bevolking geschonden werden. (Wordt hopelijk vervolgd…)