Spanje

Spanje

Asturias

Regio

De vooralsnog grootste onontgonnen goudmijn van West-Europa ligt in een dorpje dat net geen 4.000 inwoners telt: Tapia de Casariego. Deze kleine kustgemeente maakt deel uit van Asturië, een autonome regio in het noordwesten van Spanje met net iets meer dan een miljoen inwoners. Het leeft van toerisme, visserij, veeteelt en melkproductie. Het Prinsdom Asturië wordt sinds de komst van de Romeinen gekenmerkt door een rijke traditie in mijnbouw die zich vooral vanaf het einde van de negentiende eeuw ontwikkelde.[1] Daarbij werd niet enkel steenkool ontgonnen. De grond bevat er immers een veelheid aan mineralen en metalen: kwik, ijzer, zink, magnesium, koper, wolfraam, tin, lood en ook… goud.[2]

Figuur 1 Asturië. Bron:  

https://nl.wikipedia.org/wiki/Asturi%C3%AB_(regio)#/media/File:Localizaci%C3%B3n_de_Asturias.svg 

Sinds de jaren 1970 en 1980 raakte de mijnindustrie in verval. In deze periode werd het Asturiaanse steenkoolveld het minst efficiënte en meest kwetsbare compartiment van de Spaanse steenkoolindustrie. Tussen 1955 en 1985 verloor Asturië 15,7% van alle aanwezige banen, en liefst 51% van alle ‘manufacturing jobs’. Het aantal banen in de mijnbouw daalde tussen 1970 en 1992 van 32.000 naar 21.000. Het aantal ‘pits’ halveerde in de jaren 1980 naar slechts een 14-tal.[3] Vandaag is het leeuwendeel van de bewoners van Asturië tewerkgesteld in de landbouw, veeteelt en visvangst.[4]

In totaal zijn er in Asturië 487 goudvelden te vinden die allemaal in het westen van de provincie liggen en zo goed als allemaal reeds door de Romeinen werden geëxploiteerd. In de westelijke zone van Asturië zijn er drie zogenaamde ‘goudgordels’: die van Oscos, Narcea en Navelgas. Zij verschillen van elkaar op het vlak van mineralisatieprocessen, maar staan via breuken in verbinding met elkaar en volgen een noordoost-zuidoost richting. De grote mijnbouwprojecten die het vandaag tot in de media schopten zijn El Valle-Boinás en Carles en behoren tot de Narcea-goudgordel.[5]

Geschiedenis

De goudvoorraad van Salave, een parochie die tot het bestuur van Tapia de Casariego behoort, werd voor het eerst ontdekt door de Romeinen. Pas vanaf hun komst werd de goudmijnbouw in het noordwesten van Spanje op een meer industriële schaal toegepast.[6] De Romeinen ontwikkelden een bijzondere techniek om het goud te exploiteren: Ruina Montium. In de heuvels werden tunnels gebouwd waar grote hoeveelheden water in geloodst werden. De druk van het water verpulverde de omringende gesteenten en nadien werd het gruis mét het goud opgevangen en langs vettige wol of dichte struiken geleid, waar het edelmetaal aan bleef hangen.[7]

Hierbij werden volledige heuvels afgebroken en werden tonnen materiaal verplaatst. Er wordt geschat dat in Salave meer dan 4 miljoen kubieke meter materiaal werd opgegraven en verhuisd, waarbij er meer dan 7000 kg goud naar boven werd gehaald. Deze indrukwekkende cijfers benaderen echter amper de cijfers die de grootste open-pit goudmijn van het Romeinse Rijk kan voorleggen: in Las Médulas, in Léon in westelijk Spanje, werd niet minder dan 93 miljoen kubieke meter grond verplaatst![8]

Om genoeg water aan te kunnen voeren, werden dammen en ettelijke kanalen aangelegd. Daarnaast werden wegen aangelegd om de tonnen materiaal te kunnen verplaatsen. Men schat dat de mijnbouwers in Salave uit ongeveer 200 personen bestonden. Het merendeel van hen waren vrije, inheemse mannen die uit de nabijgelegen versterkte dorpen (castros) afkomstig waren: Figo en Castello de Rondello. Het beheer over de ingenieurs en alle logistiek was in handen van het leger, die daar samen met een groepje ambtenaren gevestigd waren en er de plak zwaaiden.

Na de val van het Romeinse Rijk stopten nagenoeg alle mijnbouwprojecten in Noordwest-Spanje. In eerste instantie werden zij terug opgenomen door de Arabieren, maar door de ontdekking van de mineralenrijkdommen in Amerika kwam de ontginning op eigen bodem al snel weer tot een einde. In Spanje werden de eigen ondergrondse rijkdommen genegeerd en werd de aandacht gericht op het ontginnen van de grondstoffen die tot de inheemse bevolking van Amerika behoorden.

Het duurde tot het midden van de negentiende eeuw tot er in Spanje weer sprake was van iets uitgebreidere mijnbouwprojecten. In 1825 werd de eerste mijnwet gestemd en werd de streek meteen het voorwerp van vele aanvragen tot concessie. Tussen 1825 en 1964 werd er voortdurend naar vergunningen tot exploitatie gevraagd voor een veelheid aan mineralen en metalen: zilver, molybdenum, ijzer, koper, zink, tin, wolfraam, goud, … .

Vrijwel de gehele productie werd echter door Frankrijk en Engeland geleid. Metalen als koper en ijzer verdwenen bijgevolg grotendeels naar andere Europese landen. Die situatie duurde tot ongeveer aan het begin van de Tweede Wereldoorlog. Daarna overtrof de vraag van het zich snel industrialiserende Spanje snel het aanbod van mineralen van eigen bodem. Asturië, voornamelijk bekend om de grote hoeveelheden steenkool en fluoriet, werd zo een van de belangrijkste mijnbouwgebieden van Spanje.[9]

Ook naar Salave reisden sinds de jaren ’60 van de twintigste eeuw heel wat mijnbouwbedrijven om er de mogelijke goudwinning te onderzoeken. Exminesa (Cominco), Imebesa (Northgate), Río Tinto Patiño, GFSA (Gold Fields), CESA Charter Exploraciones (Anglo-Amerikaans), Oromet, Newmont Gold Company (Newmont Mining Corporation), San Diego Gold Company (Lindex Corporation), Río Narceo Gold Mines zijn enkele van de bedrijven die in Salave poolshoogte kwamen nemen. Die exploraties zorgden samen voor een onderzoeksgebied dat ruim 62 km telt.[10]

In 2005 lanceerde Río Narceo Gold Mines het eerste compleet uitgewerkte mijnbouwproject in de regio. Het betrof een groot open-pit mijnbouwproject dat zich langs de kustlijn zou ontwikkelen op amper 1,5 km afstand van Tapia de Casariego. De gevolgen voor het milieu zouden zo groot zijn dat de protesten tegen het mijnbouwproject zich kristalliseerden in het ontstaan van een platform: ORO NO. De leden van deze groepering zorgen er mede voor dat Río Narceo Gold Mines zijn plannen tijdelijk moest opbergen. In 2007 kocht de mijngigant Lundin Mining het bedrijf over in een poging om het mijnbouwproject te herlanceren. Uiteindelijk kwam de concessie in handen van de huidige eigenaar, Astur Gold (DagilevCapital Corporation), die recent (oktober 2016) en naar aanleiding van een kapitaalinjectie de naam veranderde naar Black Dragon Gold Corp.

Salave

Goud in Salave

Het is in 2009 dat Astur Gold in Salave de vijf exploitatieconcessies verwierf van de vorige eigenaar, Río Narcea Gold Mines (sinds 2007 onderdeel van Lundin Mining). Hiermee kreeg het bedrijf – dat genoteerd staat op de beurzen van Frankrijk en Toronto – toegang tot een gebied van 433 hectares waaronder een immense voorraad goud verborgen zou zitten. Geschat wordt dat er meer dan 62 ton goud voorradig zou zijn, dat aan de huidige prijs 2.254.878.000 euro waard zou zijn.[11]

Figuur 2 Bron: http://fotos02.lne.es/2014/08/14/646x260/oro-asturiano.jpg

Figuur 3 Bron: http://ep01.epimg.net/elpais/imagenes/2014/09/27/media/1411840020_811718...

De goudvoorraad van Salave zit verborgen in een dichtbegroeid dennen- en eucalyptusbos waar ook de meren ‘Lagunas de Silva’ zich bevinden. Deze meren vormden zich als gevolg van de mijnopgravingen die de Romeinen er in de eerste en tweede eeuw na Christus uitvoerden. Het wegnemen van het materiaal in die periode resulteerde in grote holtes van tientallen meters diameter, waarbij het diepste punt dertig meter onder de grond ligt. Omwille van de hoge dichtheid van het substraat hoopte het water zich hierin op en zo ontstonden de Lagos de Silva.

Figuur 4 Bron: Salave en Las Lagunas de Silva. Bron: http://geolag.com/el-oro-de-asturias-salave-y-las-lagunas-de-silva/

Bij het overkopen van de concessies in 2009, liet Cary Pinkowski – een Canadese ondernemer en de CEO van AsturGold – weten dat hij zinnens was om de mijn van Salave zo snel mogelijk weer te openen van zodra alle milieuvergunningen in hun bezit zouden zijn. Het bestuur was hoopvol dat alles tegen september 2011 klaar kon zijn om het project voor te stellen aan het Prinsdom van Asturië. Daarbij was het plan dat de mijn minstens tien jaar operationeel zou zijn, waarbij er gemiddeld 3500 kilogram goud per jaar ontgonnen zou moeten worden.

In tegenstelling tot de vorige eigenaar van de concessie, die het gebied via open-pit mijnbouw wilde exploreren en daarom ook nee op het rekest kreeg vanwege de overheid, ontwikkelde AsturGold een project dat naar eigen zeggen een minder nefaste impact op het milieu zou hebben. Via een systeem van ondergrondse mijnbouw waarbij het goud via ondergrondse transportbanden naar de behandelingsplek zou gevoerd worden – die zich overigens op 2.7 km nog steeds binnen extractiegebied zou bevinden – zou vermeden worden dat zware camions heen en weer moeten rijden. Hierbij werd beloofd dat het mijnproject 250 directe jobs zou creëren. De constructie van de mijn zelf, die ongeveer 21 maanden in beslag zou nemen, zou goed zijn voor een 70-tal banen. Als alles volgens plan zou verlopen, had de eerste gram goud in 2014 ontgonnen kunnen worden.[12]

Het nieuwe project heeft betrekking op goudwinning aan de kust en zou enorme verplaatsingen van materiaal met zich meebrengen, net als het risico op vervuiling van de regio.

De bevolking van Salave reageerde verdeeld op het mijnbouwproject. Aanhangers van het ja-kamp groepeerden zich in ‘Trabajo Ya Mina Sí’ en beweren dat 70% van de bevolking voor de komst van een mijn zou zijn. Zij schatten het risico op vervuiling van het milieu klein in en verkondigden alvast dat het water van de lokale rivier Porcia niet gebruikt zou worden: de mijn zou werken op basis van een gesloten circuit. Bovendien haalde ‘Trabajo Ya Mina Sí’ aan dat er een grote crisis heerst in Spanje. De werkloosheid in de streek is er hoger dan 40% en de bevolking heeft er nooit van het toerisme kunnen leven. Een nieuwe mijn zou met andere woorden soelaas kunnen brengen. Oro No claimt dat 'Trabajo Ya Mina Sí' werd ontwikkeld door AsturGold en dat de voorzitter was tewerkgesteld en betaald door het mijnbouwbedrijf.

Sociale mobilisatie: ORO NO

Vanuit het nee-kamp ‘ORO NO’ kwam heel wat tegenwind. ORO NO is een sociaal platform dat in 2005 werd opgericht met als gemeenschappelijk doel het opstarten van een goudmijn in Tapia de Casariego, en bij uitbreiding in de rest van de wereld, tegen te houden. De organisatie telt meer dan 500 leden en meer dan 3000 sympathisanten. Een van de argumenten waarmee zij schermen is het groeiend toerisme in de regio. Hoewel het nog niet tot volle bloei is gekomen, zien zij wel potentieel in het opkomend toerisme. Een mijn brengt niet enkel het risico van vervuiling van de omgeving met zich mee, maar zou het zich ontluikend toerisme ook eensklaps vernietigen.

Daarnaast geven zij aan dat de strategieën van Astur Gold om het Prinsdom Asturië van de noodzaak van een mijn te overtuigen, tot op heden enkel gebaseerd waren op leugens en manipulatie. Die leidden tot heel wat conflicten tussen de bewoners. Door infiltratie in de lokale politiek en de administratieve diensten werd er verwarring en tweedracht werd gezaaid omtrent het aantal nieuwe jobs die de mijn met zich zou meebrengen en de hoeveelheid belastingen die de gemeente zogezegd zou kunnen heffen. Daarnaast is ORO NO er evenmin van overtuigd dat Astur Gold zijn plannen om een open-pit mijnbouw volledig heeft opgegeven. Mogelijk zijn zij in staat om die in een later stadium weer op te rakelen.

Een belangrijk argument zagen en zien de leden van ORO NO ook nog steeds in het capaciteitsprobleem dat de administratieve overheden kenmerkt die de aanvraag moeten goed- dan wel afkeuren. Om die reden laten zij het niet na om ook zelf advocaten op de zaak te zetten om de concessies na te kijken en berekenen zij ook zelf wat de risico’s zijn op zowel economisch als milieuvlak. Tot slot zijn ze ervan overtuigd dat Astur Gold enkel op zoek is naar kapitaal en louter met valse beloftes komt wat betreft het aantal jobs dat gecreëerd zou worden. Zij benadrukken dat de bevolking haar inkomsten grotendeels haalt uit landbouw, veeteelt en visvangst en dat mijnbouwers hoofdzakelijk uit andere streken binnen Asturië komen. De komst van een mijn en bijhorende vervuiling zou de bron van inkomsten van de autochtone bevolking ernstig bedreigen.[13]

Figuur 5 ORO NO. Bron: https://www.vice.com/es/article/la-mina-de-oro-mas-grande-de-europa-se-e...

In juni 2011 was het bijgevolg onvermijdelijk dat meer dan 500 personen op straat kwamen om te manifesteren tegen de opening van het Canadese AsturGold-goudmijnproject, waarbij de angst voor het toerisme en de veeteelt de voornaamste drijfveren waren. Op dat moment was het project nog in de onderhandelingsfase.[14]

Het verzet van ORO NO en de twijfels die ook bij de ‘Comisión para Asuntos Medioambientales del Principado de Asturias (CAMA)’ en de ‘Confederación Hidrográfica del Cantábrico’ rezen, zorgde ervoor dat AsturGold in december 2012 verkondigde dat het geen gebruik zou maken van het erg vervuilende cyanide om goud te ontginnen. De ‘Confédéracion Hidrográfica del Cantábrico’ (onderdeel van het Ministerie van Landbouw, Voedsel en Milieu) had in juli 2012 immers nog een rapport uitgegeven waarin het stelde dat AsturGold onvoldoende had ingeschat welke vervuilende effecten een mijn op de lokale watervoorraad zou hebben. Bovendien had het bedrijf zo goed als geen alternatieven voorgesteld om te voldoen aan de milieuvereisten. Door te verklaren geen gebruik te zullen maken van cyanide, dacht het bedrijf tegemoet te komen aan één van de laatste eisen die de overheid nog stelde op het vlak van milieu.[15]

Op 18 december 2013 diende AsturGold een nieuw document in waarin de effecten op het milieu werden bestudeerd. Andermaal werd de studie in januari 2014 door de ‘Confederación Hidrográfica del Cantábrico’ afgekeurd wegens niet voldoen aan de milieuvereisten. Daarop zette AsturGold de grove middelen in. Meer dan 100 miljoen euro werd geïnvesteerd in studies en extra documentatie om alsnog te kunnen voldoen aan de vereisten van de ‘Confederación’.[16] Daarbij liet het mijnbouwbedrijf niet achterwege om de ‘Confederación’ te beschuldigen van moedwillig het project te willen saboteren. Niettemin werd het project eind 2014 andermaal afgekeurd door de overheid van Asturië. Het effect van het mijnbouwproject op het water van Salave werd nefaster ingeschat dan AsturGold steeds had beweerd.[17]

Bovendien werd AsturGold in 2015 door het Tribunal Superior de Justicia veroordeeld tot een sanctie wegens overtredingen die het bedrijf tijdens grondsonderingen in Salave in 2013 had begaan.[18]

Van AsturGold naar Black Dragon Gold Corp

Daarmee lag het project even stil tot het dichtbij bankroet zijnde AsturGold in juli/augustus 2016 een kapitaalinjectie kreeg vanwege Lionsbridge, Westech International en RMB Australia Holdings. Hiermee kon de schuld die AsturGold inmiddels had opgebouwd, geherfinancierd worden. Nadat het mijnbouwproject (dat in 2016 nog steeds in een juridische fase zit), afgewezen werd door het Prinsdom Asturië, poogde men met deze nieuwe samenwerking het project te herlanceren. In september van datzelfde jaar hernam het intussen Australisch-Canadese AsturGold dan ook de contacten met de lokale en regionale overheden.[19]

In oktober 2016 werd beslist dat het mijnbouwbedrijf als gevolg van deze verkoop een nieuwe naam, en daarmee ook een nieuwe reputatie, moest krijgen. Black Dragon Gold Corp zou het vanaf nu luiden. Het was en is tegelijk één van de strategieën om zoveel mogelijk nieuwe investeerders aan te trekken. Op hetzelfde moment kondigde het bedrijf bovendien aan dat ze de contacten met de overheden binnenkort weer zou opnemen om het project zo snel mogelijk terug in de steigers te krijgen. Het Prinsdom Asturië reageerde door te zeggen dat ze wachtten op het resultaat van het geschil tussen het Prinsdom en Black Dragon Gold Corp. Die laatste had het Prinsdom immers voor de rechtbank gesleept na het weigeren van het mijnbouwproject. Het is nu aan het Tribunal Superior de Justicia om zich daarover uit te spreken.[20]

Voor ORO NO is het momenteel bang afwachten of Black Dragon Gold Corp ditmaal wel aan alle vereiste milieuvergunningen zal geraken. In het verleden zijn er verschillende pogingen geweest om Salave onder te brengen in het netwerk van beschermde gebieden ‘Red de Espacios Protegidos de Asturias’. Tot op heden vingen die pogingen echter bot en geniet de streek van geen enkele vorm van bescherming. Nochtans zijn er genoeg argumenten om dat wel te doen: zowel het landschap als de archeologische waarde van de Romeinse nederzettingen die amper werden onderzocht, worden vaak genoemd. Ook biologisch is de streek veel waard aangezien Salave één van de schaarse ‘wetlands’ van Asturië herbergt, met heel wat beschermde fauna en flora. Naast de economische impact waarbij de bevolking vreest voor haar jobs, zijn er met andere woorden genoeg redenen om de streek te beschermen en in staat te stellen toerisme aan te trekken.[21]


[3]Critcher (C.), Parry (D.) & Waddington (D.), “Regulation, RestructuringandRegeneration in Coalfields: Three European Cases”, in Edwards (P.) & Elger (T.) (eds.), The Global Economy, National StatesandtheRegulation of Labour, Mansell, London & New York, 1999, pp. 87-110, p.103.

[11]Berekening op 05/02/2017, aan 36.369 euro per kilogram + https://www.oroyfinanzas.com/2011/06/el-mayor-yacimiento-de-oro-de-europ...