Economische impact

Voorstanders zeggen dat mijnbouw leidt tot economische groei en vermindering van armoede. Dit zou bereikt worden door hogere belastinginkomsten voor de overheid, alsook de creatie van meer werkgelegenheid en betere dienstverlening in de lokale gemeenschappen. De verhoogde vraag naar goederen en diensten laat de lokale economie bloeien.

Deze argumenten kunnen kritisch bekeken worden. Critici betwisten dan ook dat mijnbouw de lokale gemeenschappen ten goede komt. De kosten en baten van mijnbouw worden niet eerlijk verdeeld.

Het zijn voornamelijk buitenlandse privébedrijven die investeren in mijnbouw. Het extravistisch model stelt de export van ruwe grondstoffen veilig, en vaak gebeurt de verdere verwerking niet in het land waar het product ontgonnen wordt. Bovendien is de huidige mijnbouwsector voornamelijk een kapitaalsintensieve sector, en niet zozeer arbeidsintensief. De tewerkstelling van de lokale bevolking is dus relatief. Daarnaast zien boeren, die afhankelijk zijn van landbouw, hun inkomsten verdwijnen wanneer terreinen worden ingenomen door mijnbouw, of te kampen hebben met ernstige vervuiling ten gevolge van die mijnbouw.

Een verdere verstoring van de lokale economieën wordt veroorzaakt door het dutch disease effect. Deze term verwijst naar een fenomeen dat zich in de jaren ‘60 voordeed in Nederland, toen aardgasreserves werden ontdekt. De ontdekking van grondstoffen leidde tot de stijging van de waarde van de lokale munt. Dit zorgde voor een vermindering van de concurrentiepositie van het land, een daling van economische productie en een stijging van de werkloosheid. Het is dus een macro-economisch fenomeen dat speelt wanneer buitenlandse deviezen gewonnen worden met de ontginning van grondstoffen. In veel gevallen is de bijdrage van de mijnbouw aan de micro-economische situatie dan globaal gezien eerder negatief dan positief.

De belastinginkomsten die op nationaal niveau worden geïnd, zijn vaak maar een fractie van de winsten die gemaakt worden door de investeerders. Privé bedrijven maken grote winsten, terwijl er een beperkte terugvloeiing naar het land en zijn inwoners is. De passieve kosten blijven voor het land zelf onder de vorm van milieuvervuiling en sociale onrust. Het inzetten van een land op de export van grondstoffen creëert ook een sterke afhankelijkheid van de vraag naar mineralen door de wereldeconomie: als de vraag sterk daalt, kunnen de Latijns-Amerikaanse economieën zware klappen krijgen.