Wat gebeurt er in de onderhandelingen rond Rio +20?


Analyse door Pablo Solón, voormalig klimaatambassadeur van Bolivië. Vertaling door Lien Van Mellaert (CATAPA).

De kladversie van het document dat momenteel onderhandeld wordt voor de Conferentie over Duurzame Ontwikkeling van de Verenigde Naties (beter bekend als Rio+20) heeft reeds twee onderhandelingsrondes doorstaan (januari en maart). Inmiddels bevat het document de voorstellen van alle landen die deze ingestuurd hebben voor de deadline van 20 februari.

Oorspronkelijk telde de eerste kladversie aan het begin van dit jaar 20 pagina’s en 128 paragrafen. Op dit moment bevat het “samengestelde document” (versie 28/3/12) 222 pagina’s en honderden paragrafen.

De rijke landen bevorderen de “groene economie”
Het belangrijkste voorstel van de zogenaamde rijke landen voor Rio+20 is de “groene economie”. Deze landen streven naar de ontwikkeling van een wereldwijde set van indicatoren en maatregelen om de verschillende functies van de natuur te kwantificeren en economisch naar waarde te schatten, om ze zo te introduceren op de markt door een serie van financiële mechanismen. Hun “groene economie” streeft niet enkel naar de “vermarkting” van het materiële stuk van de natuur, maar ook naar eenzelfde vermarkting van de processen en functies van de natuur via de handel in ecosystemen en bijbehorende diensten. Met andere woorden: de “groene economie” heeft niet enkel als bedoeling om het hout van de bossen te vermarkten, maar ook de absorptiecapaciteit van carbondioxide van deze bossen.

Volgens de opvattingen van de “groene economie” komt het onevenwicht in onze omgeving voort uit het feit dat men de natuur niet beschouwt als “kapitaal”. Daarom stelt men een kapitalisme voor met drie dimensies, dat dus niet enkel de machines en de mensen omvat, maar ook de natuur.
Het doel van de “groene economie” is de creatie van een geschikte omgeving voor privé-investeringen in water, de biodiversiteit, de oceanen, de bossen etc. Deze bevorderingen van privé-investeringen gaan van het toekennen van een prijs aan water tot en met het garanderen van nutsvoorzieningen voor private investeerders.

De “groene economie” genereert geen reële en tastbare producten. In de plaats daarvan creëert ze een fictieve markt van obligaties en financiële certificaten die men onderhandelt via de banken. De grote banken die ten grondslag lagen aan de financiële crisis van 2008 en die vervolgens triljoenen dollars aan publieke fondsen ontvingen, zullen nu dus de natuur ter beschikking hebben om te speculeren en monsterwinsten te genereren.
De rijke landen verwachten dus dat Rio+20 de Verenigde Naties een mandaat geeft om een set van indicatoren en bemiddelingsmechanismen te ontwikkelen, die op hun beurt de grondvesten vormen van een wereldwijde markt in milieudiensten en ecosystemen.

Ontwikkelingslanden in het defensief 
In reactie op het agressieve voorstel van de ontwikkelde landen hebben de ontwikkelingslanden (gegroepeerd in de G77 + China) een aantal defensieve voorstellen geformuleerd die opgenomen werden in het samengestelde document van 28/03/12.

De Groep van 77+China verenigt 131 ontwikkelingslanden, waaronder Bolivië. Deze groep verdedigt het concept van duurzame ontwikkeling van 20 jaar geleden. De uitgangspunten van deze visie druisen niet noodzakelijk in tegen de “groene economie”, maar zijn vooral toegespitst op het respecteren van de soevereiniteit van staten en hun recht op ontwikkeling. De groep van 77+China stelt voor om het te hebben over groene economie en “andere visies”, zonder strikt te definiëren om welke visies het gaat.

Men stelt verder voor om een nieuwe economische orde in te richten, maar zonder een duidelijke positie in te nemen over de rol van het IMF, de Wereldbank en de Wereldhandelsorganisatie. De meest progressieve paragraaf van de G77+China luidt als volgt: “het is hoog tijd om het ontbreken van een adequate regelgeving en controle van de financiële sector aan te pakken, evenals het gebrek aan financiële transparantie en integriteit en het excessieve, risicovolle en onhoudbare consumptiepatroon van de rijke landen.”

Merk op dat de passages van de G77+China in verband met de “groene economie” geen enkel voorstel bevatten dat ingaat tegen de monetaire valorisatie van de natuur, noch tegen de vermarkting van functies en processen van de natuur op zich. Echter, voor de G77+China “zijn marktgebaseerde strategieën op zichzelf onvoldoende om de gelijkwaardige verdeling van de economische ontwikkeling te verzekeren”, maar deze landen spreken zich niet uit tegen deze nieuwe marktvormen.

Samengevat: terwijl de rijke landen de natuur willen aanwenden als een nieuwe bron van inkomsten om zichzelf te verrijken, verdedigen de ontwikkelingslanden in essentie de eerder door de Verenigde Naties overeengekomen voorstellen.

In een onderhandeling waarin één van de partijen vraagt om de natuur te vermarkten, en de andere partij zich enkel verdedigt, maar zonder nieuwe voorstellen die een echte verandering teweeg zullen brengen voor de XXIe eeuw, is het meest voorspelbare resultaat meer van hetzelfde, vermeerderd met een aantal maatregelen om de natuur in financiële termen uit te drukken.

…En de voorstellen van Tiquipaya?
In 2010 organiseerde Bolivia de wereldwijde “Conferentie van Volkeren over Klimaatverandering en Rechten van Moeder Aarde” in Tiquipaya, Cochabamba. Daar, met de medewerking van 35000 personen, waarvan 9000 internationaal afgevaardigden, keurde men een voorstel goed dat verder gaat dan duurzame ontwikkeling zoals deze momenteel gepercipieerd wordt. Het voorstel dat hier geformuleerd werd, stelt dat men niet enkel het welzijn van de toekomstige generaties moet beogen, maar wel het welzijn van Moeder Aarde. In deze zin gaat het over een Universele Verklaring van de Rechten van Moeder Aarde. Men formuleerde een aantal concrete voorstellen opdat de militaire en defensiebudgetten worden besteed aan het behoud van de natuur, zodat men de voedselsoevereiniteit kan waarborgen en de afhankelijkheid van de agroindustrie kan verkleinen. Een andere doelstelling die beoogd wordt door deze voorstellen is een verbod op geo-engineering en genetisch gewijzigde organismen (GGO’s), zodat de basisvoorzieningen kunnen worden gecontroleerd door de gemeenschap in plaats van door private bedrijven. Ook stelt men voor om de rechten van de inheemse gemeenschappen te behouden, inclusief het recht op voorafgaande en geïnformeerde raadpleging, zodat de bossen niet gecommercialiseerd en vermarkt worden door het REDD (Reductie van Emissies door Ontbossing en Degradatie van bossen), etc.  

Het is verrassend dat Bolivië niet op formele wijze voorstelde om deze voorstellen in het samengestelde document van 222 pagina’s te integreren, aangezien in dit document alle voorstellen werden geïntegreerd die vóór de deadline van 29 februari ontvangen werden.

In het onderhandelingsdocument verschijnen de namen van tientallen landen die voorstellen geformuleerd hebben, maar Bolivië staat niet op de lijst. Het woord Moeder Aarde, dat kon rekenen op instemming van de Verenigde Naties, verschijnt niet in het samengesteld document. Het voorstel van de “rechten van de natuur” geldt enkel als een tegemoetkoming van de G77 en China als reactie en aanvulling op de verklaring van de Gemeenschap van Latijns-Amerikaanse en Caraïbische staten (ECLAC), maar er bestaat geen enkel voorstel in het kader waarvan men de Verklaring van de Rechten van Moeder Aarde kan bespreken binnen de krijtlijnen van Rio+20.

We kunnen niet wachten op Rio+20
Van 20 tot 22 juni vindt in Rio de Janeiro de Rio+20 conferentie plaats. Op deze bijeenkomst komen meer dan 80 regeringsleiders en staatshoofden samen om samen gefotografeerd te worden en te speechen, maar het document dat zal worden goedgekeurd, werd al grotendeels geformuleerd in de voorafgaande onderhandelingsrondes. Deze gaan momenteel door in New York, in de zetel van de Verenigde Naties, dichtbij de plek waar de Occupy Wall Street beweging ontsproot.

De volgende onderhandelingsronde gaat door van 23 april tot 4 mei. Het is van fundamenteel belang een gezamenlijk pact te smeden vanuit alle landen om ons uit te spreken en te mobiliseren tegen een vermarkte groene economie van de natuur, en om vooruitgang te boeken op een manier die de voorstellen van de volkeren in overweging neemt, zoals het Akkoord van de Volkeren van Tiquipaya.

La Paz, 3 april 2012