Bolivia kenmerkt zich door een economie die gericht is op de extractie van natuurlijke grondstoffen.

Metalen zoals zilver, goud, zink, tin, koper, maar ook aardolie, aardgas en soja vormen de spil van de economie. Het linkse regime waar veel hoop op gericht was, heeft hier helemaal geen verandering in gebracht. Zolang het land zich niet op alternatieven richt, zijn er weinig hoopvolle toekomstvooruitzichten.

Geschiedenis

Bolivia is, net als Peru, een land met een eeuwenlange mijnbouwtraditie. Gezien deze historische rol, zit mijnbouw diep verweven in de Boliviaanse samenleving. Actuele mijnbouwconflicten zijn daarom vaak heel complex, met vele betrokken actoren.

Reeds voor de komst van de Spanjaarden, in de 16de eeuw, werden er metalen ontgonnen. Tijdens de kolonisatie maakten de Spanjaarden gretig gebruik van de rijkdommen van het land. Eén van hun belangrijkste ontdekkingen was Cerro Rico in Potosí, ontdekt in (1545) – een berg zo rijk aan zilver dat ze gedurende de kolonisatie de Spaanse schatkist moeiteloos vulde. Ook na de onafhankelijkheid in 1825 bleef de mijnbouwsector in handen van een rijke, heersende klasse. Verandering kwam hierin in de jaren 1950, wanneer enkele Boliviaanse revolutionaire elites aanstuurden op het nationaliseren van de mijnbouwsector. De COMIBOL (Corporación Minera de Bolivia) ontstond en speelde een aantal decennia een belangrijke sociale en economische rol. Dit duurde echter niet lang want vanaf de jaren ‘80 zorgden neoliberale regimes voor een hernieuwde privatisering. Men stelde alles in het werk om buitenlands kapitaal aan te trekken, onder meer door een gunstig belastingsregime te creëren en weinig restricties te voorzien. Dit trok grote mijnmultinationals aan zoals Glencore, Newmont Mining, Pan American Silver, die sinds dan actief zijn gebleven in het land. Duizenden mijnwerkers die voorheen via COMIBOL tewerkgesteld waren, werden ontslagen. Een deel van hen begon zich te organiseren in coöperaties om  op die manier verder mineralen te ontginnen. Zo’n twintig jaar later zijn deze coöperaties veelal uitgegroeid tot kleine bedrijfjes die volgens eenzelfde logica werken als de private sector.

De neoliberale tendens van de laatste decennia blijft zich opmerkelijk genoeg voortzetten onder het linkse regime van president Evo Morales. Bij zijn aanstelling zette hij de zorg voor Pacha Mama (Moeder Aarde) hoog op de agenda – een zorg die cultureel gezien diep is ingebed, zeker bij de Boliviaanse indígenas. Ondanks zijn ecologische discours groeide het aantal grootschalige mijnprojecten tijdens zijn ambtstermijn, die via een geïndustrialiseerde wijze (open-pit mijnbouw) mineralen ontginnen. De Boliviaanse export van mineralen blijft  op die manier toenemen, maar van de waarde van de export blijft naar schatting slechts zo’n 10% in het land. De nieuwe mijnwet, die in 2014 werd goedgekeurd, favoriseert de mijnbouwsector duidelijk en maakt het zowel voor mijnbouwbedrijven als voor  coöperatieven makkelijker om mijnbouwconsessies te verkrijgen. Deze versoepeling impliceert onder andere dat het nu ook officieel mogelijk wordt gemaakt om concessies te verkrijgen in natuurparken. Dit heeft niet alleen voor een grote toename van het aantal uitgegeven concessies gezorgd, het heeft ook een sterke uitbreiding richting tropische gebieden en Amazonewoud veroorzaakt. De proteststem van  Pachamama klinkt slechts ver op de achtergrond.

De eeuwenlange mijnbouwbedrijvigheid heeft onvermijdelijk al tot vele milieu-incidenten geleid en de totale milieu-impact is enorm. In een aantal mijnbouwregio’s, is het gehele ecosysteem reeds onomkeerbaar beschadigd. Dit is bijvoorbeeld het geval in het rivierbekken van de Desaguadero rivier in het departement Oruro. Daar lozen de mijnoperaties van Glencore, Newmont Mining en vele coöperaties hun mijnafval in de rivieren die via de Desaguadero uitmonden in de meren Uru Uru en Poopó. Hierdoor kunnen de traditionele activiteiten (visvangst, veeteelt en landbouw) niet meer uitgeoefend worden, noch zonder moeilijkheden noch zonder gezondheidsgevaar. De hele zone werd door de overheid uitgeroepen tot rampgebied, helaas heeft dit tot geen enkele concrete actie geleid om het gebied te beschermen tegen verdere vervuiling en zo de lokale bevolking te beschermen. Verder is de recente uitwijking naar de tropische laaglanden zorgwekkend. De zoektocht naar goud leidt tot enorme vervuiling van de waterbekkens door het gebruik van kwik. Daarenboven leidt de expansie van mijnbouw er tot immense ontbossing.

Bolivia blijft zich met andere woorden kenmerken door een economie die gericht is op de extractie van natuurlijke grondstoffen; metalen zoals zilver, goud, zink, tin, koper, maar ook aardolie, aardgas en soja vormen de spil van de economie. Het linkse regime waar veel hoop op gericht was, heeft hier helemaal geen verandering in gebracht. Zolang het land zich niet op alternatieven richt, zijn er weinig hoopvolle toekomstvooruitzichten.

Kori Kollo

De case rond de Kori Kollo goudmijn is een emblematische zaak waarbij een transnationaal mijnbouwbedrijf waardevolle edelmetalen meeneemt en een ernstig verontreinigde streek achterlaat voor de lokale bevolking. Catapa volgt deze zaak al van bij het ontstaan op ism lokale partners CEPA en Coridup.

De Kori Kollo goud- en zilvermijn bevindt zich op ca. 3710 meter boven de zeespiegel in de Boliviaanse hoogvlakte (altiplano). De mijn maakt deel uit van het departement Oruro en ligt ruim 42 km ten noordwesten van de stad Oruro en ruim 160 km ten zuidoosten van hoofdstad La Paz. Oruro kent een semi-aried klimaat, wat inhoudt dat 9 maanden relatieve droogte worden afgewisseld met een regenseizoen van 3 maanden. Over 12 maanden heen is er een netto neerslag tekort, er verdampt meer water dan er valt. Bijgevolg is zoet water relatief schaars.

De mijn ligt aan de Desaguadero rivier, die voornamelijk wordt gevoed door het Titicacameer en uitmondt in de meren Poopó en Uru Uru. Ter hoogte van Kori Kollo splitst de rivier zich in twee: de linkerarm stroomt naar het Uru Uru meer vanwaar het water overloopt in het Poopó meer, de rechterarm stroomt rechtstreeks naar het Poopó meer. Beide meren vallen onder de internationale Ramsar conventie wat betekent dat zij erkend worden als draslanden (eng: wetlands) van internationaal belang.

De Kori Kollo mijn werd actief uitgebaat van 1980 tot 2010 door het bedrijf Empresa Minera Inti Raymi S.A. (EMIRSA). Deze vennootschap kende verschillende (meerderheids-)aandeelhouders doorheen de tijd. Aanvankelijk was de verdeling onder aandeelhouders 50% Boliviaans (met Zeland Mines of Bolivia) en 50% Noord-Amerikaans (Westworld Resources, VS). Vanaf 1988 begon Battle Mountain Gold zich in te kopen om tegen 1995 ca. 88% van de aandelen van EMIRSA in handen te hebben. In 2001 werd Battle Mountain Gold overgenomen door Newmont Mining Corporation. Deze laatste verkocht in 2009 al zijn aandelen aan het Boliviaanse Compania Procesadora de Minerales SA met een clausule om de komende jaren nog een jaarlijks forfaitair bedrag te ontvangen van EMIRSA.

Rond 1980 begon de eerste exploratie en voorbereidingen voor de latere exploitatie. Vanaf 1984 werd er actief erts (oxides, en later sulfides) ontgonnen en ter plaatse verwerkt door het vermalen en stapelen van erts op uitloogplatformen die besproeid worden met cyanide. Het cyanide onttrekt de verschillende edelmetalen (oa goud en zilver) aan het erts. Deze oplossing wordt opgevangen en vervolgens verwerkt om uiteindelijk enkel de edelmetalen over te houden.

Tussen 1985 en 2010 werd er in totaal 122’633 kg goud en 382’501 kg zilver geproduceerd. De mijn geneerde ook 144 miljoen ton afvalgesteente, verbruikte minstens 53 miljoen m³ water. Kori Kollo was oorspronkelijk de naam van een berg die tijdens de ontginning volledig is afgegraven tot een diepte van ca. 240 meter diep. Deze put werd in het kader van de sluiting van de mijn opgevuld met water uit de Desaguadero rivier.

De Kori Kollo mijn heeft verschillende gevolgen voor de omgeving, en dan voornamelijk stroomafwaarts. Naast geluids- en stofoverlast, de cyanidetransporten, en het dumpen van het verontreinigde afvalgesteente, situeren de grootste problemen zich rond water en dat op verschillende manieren.

  1. Doordat de mijn grote hoeveelheden zoet water nodig heeft voor zijn ontginnings- en productieprocessen werd de stroming doorheen de rechterarm van de Desaguadero rivier kunstmatig verhoogd door het uitvoeren van graafwerken. Daardoor ontvangt het Uru Uru meer (gevoed door de linkerarm) minder water waardoor het gevoelig kleiner is geworden. Dit wordt door EMIRSA ontkend, maar werd met behulp van historische satellietbeelden door onderzoekers van de lokale universiteit (UTO) bevestigd. Een groot deel van het water dat afgetapt wordt uit de rechterarm van de rivier gaat verloren in het productieproces.
  2. Bij het graven van de mijnbouwput is er een continue aanvoer van grondwater in de put. Om de put droog te houden wordt het (zoute) grondwater opgepompt en opgeslagen in grote verdampingsmeren. Omwille van de samenstelling van de ondergrond bevat dit water ook hoge concentraties aan zware metalen. Het water verdampt waarna er een zoutkorst (met zware metalen) achterblijft. Bij hevige neerslag in het regenseizoen krijgen deze verdampingsmeren soms te grote hoeveelheden water te slikken waardoor de dijken kunnen breken. Het vrijgebroken water komt dan in de rivier terecht die het zout en de zware metalen meevoert naar het Poopó meer. Onderweg kan ook de rivier buiten haar oevers treden en zo verontreinigd slib achterlaten.
  3. Het oppompen van grondwater om de mijn droog te houden heeft ook een invloed op de grondwaterhuishouding. Verschillende gemeenschappen stroomafwaarts van de mijn klagen over opgedroogde en/of verzilte grondwaterputten.
  4. De gebrekkige opslag van het verontreinigde afvalgesteente leidt tot het vrijkomen van zware metalen die in de bodem infiltreren en zo het grondwater verontreinigen.

De vissersgemeenschappen uit het Uru Uru meer beweren dat ze reeds in de jaren ’80 de gevolgen van Kori Kollo mijn al konden voelen. Ook andere landbouwgemeenschappen stroomafwaarts van de mijn begonnen mettertijd steeds meer hinder te ondervinden: verzilt grondwater, geboortes van misvormde dieren, gezondheidsproblemen bij mens en dier, verzilte bodems, watertekort. EMIRSA kreeg pas rond 1997 een milieuvergunning voor de mijn aangezien er daarvoor geen milieuvergunning verplicht was omdat er eenvoudigweg geen milieuwetten bestonden die dit soort operaties konden vatten.

De klachten werden steeds talrijker en luider en in 2000 verenigde ca. 80 gemeenschappen in de organisatie Coridup (Coordinadora en defensa de la cuenca del Rio Desaguadero, los Lagos Uru Uru y Poopó). Er werden in totaal bijna 1000 officiële klachten over de mijn ingediend bij het ministerie, ondertekend door meer dan 10’000 personen. In 2003 leidde een hongerstaking tot een onderzoek in opdracht van de overheid. Het zou nog 6 jaar duren tot in 2009 het ministerie een officiële milieuaudit liet uitvoeren door een Boliviaanse Auditor (PCA Ingenieros Consultores SA) met geld van EMIRSA (1,25 miljoen dollar). De overheid zou instaan voor de onafhankelijke controle. Het Centro de Ecologia y Pueblos Andinos (CEPA), een lokale ngo uit Oruro, ondersteunde Coridup in hun strijd voor socio-ecologische rechtvaardigheid door het aanbieden van technisch-wetenschappelijke, juridische, en organisatorische steun.

De opstart van de audit was moeizaam en uiteindelijk liep de audit behoorlijk wat vertraging op. De audit werd uitgevoerd in 3 fases. Bij het verschijnen van het tussentijds rapport kreeg iedereen de kans de tekst door te nemen en om binnen de 15 werkdagen opmerkingen te formuleren aan de overheidscommissaris. Catapa en Cepa coördineerden samen een team van Belgische en Boliviaanse vrijwilligers die de omvangrijke documenten (700-1200 pagina’s) nakeken. Het feit dat er binnen- en buitenlandse academici mee de audit opvolgden heeft ervoor gezorgd dat ook de overheid en het auditbureau zich gecontroleerd voelden en ook inhoudelijk bijstuurden.

Desondanks was de kwaliteit van het gevoerde onderzoek bedroevend. Voor sommige onderdelen werden verouderde onderzoeksmethoden gebruikt, was de expertise van de onderzoekers beperkt en het onderzoek niet geïntegreerd genoeg opgevat. Niettemin kwam men tot de conclusie dat er verontreiniging van grondwater, bodem, en oppervlaktewater vastgesteld werd, maar bleef men vaag over de juridische aansprakelijkheid van het mijnbouwbedrijf.

De lokale universiteit Universidad Tecnica de Oruro (UTO) voerde in opdracht van Catapa en Cepa een alternatieve studie uit naar de impact op het milieu van de Kori Kollo goudmijn met een veel beperkter budget. De financiële lasten werden verdeeld onder de verschillende instellingen. De conclusies van deze studie waren veel strenger. Het verleggen van de rivierarm, de mobilisatie van zware metalen in het grondwater, de verzilting van de streek, de ernstige impact op lokale fauna en flora werden wetenschappelijk gemotiveerd.

Nu?

Met het beëindigen van de officiële audit beschouwt de verantwoordelijke minister het dossier echter als afgesloten. Ondanks blijvend protest van Coridup beweegt er voorlopig weinig. Coridup heeft de situatie nu aangeklaagd bij de Mensenrechtenraad van de Verenigde Naties. Er werd in 2008 en 2009 immers reeds door de speciale rapporteur van de VN commissie erkend dat, indien er niets ondernomen werd om de milieuverontreiniging aan te pakken, de rechten van de inheemse bevolking geschonden werden. (Wordt hopelijk vervolgd…)

Kori Chaca

De Kori Chaca goudmijn is het “kleine” broertje van Kori Kollo. Net als Kori Kollo gaat het om open-pitmijn in handen van het private bedrijf Inti Raymi (EMIRSA). Hoewel de concentratie van goud op de mijnsite bijzonder laag is, besliste EMIRSA toch dit project op te starten in 2004, omdat het bedrijf een groot deel van de faciliteiten van Kori Kollo kon recupereren voor dit nieuwe project. Een piek in de goudprijs gedurende de eerste jaren na opening, speelde in het voordeel van EMIRSA waardoor de mijn veel langer dan gepland open bleef en er, ondanks de lage goudconcentratie, enorme winsten geboekt werden. Gezien de nabijheid van de site volgen CEPA en CORIDUP deze case letterlijk op de voet, en wij met hen.

De Kori Chaca-mijn bevindt zich op de Andes-hoogvlakte, in het departement Oruro. De grootste kritiek op het project bestaat er omwille van het feit dat de site gelegen is op minder dan 5 kilometer ten zuidwesten van het centrum van de stad Oruro. Dit betekent dat de site binnen de urbane zone van deze grote stad ligt en de bouw van de mijn daarom wettelijk gezien illegaal was. Toch verkreeg EMIRSA de nodige licenties om goud uit de Vincutaya-heuvel te ontginnen. De site grenst aan het Iroco mijndistrict, een district waar reeds honderden jaren mijnbouwactiviteiten worden uitgevoerd.

Sinds 1994 onderzochten 6 buitenlandse mijnbedrijven de Iroco-site: Free Port, BHP, Cameco, Austrabol, Vista Gold en Newmex. Geen van hen vond echter het potentiële goudrendement hoog genoeg om de exploitatiewerken te starten. EMIRSA was wel geïnteresseerd in de ontginning van de 0,8 gram goud, die gemiddeld aanwezig is per ton erts en verkreeg in 2001 de concessierechten. De milieulicentie verwierven ze in 2004, waarna de constructie van de mijn van start ging, met als objectief om 224.000 ons goud te ontginnen in 4 jaar tijd. In 2008 werd besloten om nog een additionele 2,8 ton ore (mengeling van goud en zilver) te ontginnen. Eind 2013 startte de mijn zijn sluitingsfase.

De Kori Chaca-mijn is een open-pit goudmijn, wat in dit geval concreet betekent dat er dagelijks, gemiddeld 20.000 ton materiaal werd afgegraven uit een steeds dieper wordende put en dit gedurende 24u per dag, 6 dagen op 7. Deze tonnen materiaal werden vervolgens fijngemalen en opgestapeld op uitloogplatformen. De platformen worden tot op heden non-stop besproeid met een mengsel van water en cyanide om op die manier de aanwezige goudpartikels te onttrekken. Dagelijks wordt er zo 60 à 70 ton cyanide gebruikt. Verder kent de mijn ook een excessief watergebruik, volgens officiële cijfers (‘Ficha ambiental’) gebruikt de mijn tot 6240m³ water per dag en daarenboven 25000m³ drinkwater per jaar.

Eind 2013 startte EMIRSA met de sluitingsfase van de Kori Chaca mijn. Er worden geen nieuwe gesteentes meer uitgegraven. EMIRSA liet de put, die intussen ca.110 meter diep was geworden, zonder aankondiging vollopen met water afkomstig uit de aangrenzende Desaguadero-rivier. De uitloogplatformen zullen echter nog 3 jaar na sluiting besproeid worden, om de extractie van goud verder te zetten.

Het Kori Chaca-project heeft verschillende gevolgen voor de omgeving. Behalve geluids- en stofoverlast, het risicovolle transport van het hoog-toxische cyanide en het dumpen van het verontreinigde afvalgesteente, situeren de grootste problemen zich rond water en dat op verschillende manieren.

  1. Bij het graven van de mijnbouwput is er een continue aanvoer van grondwater in de put. Om de put droog te houden wordt het (zoute) grondwater opgepompt en opgeslagen in grote verdampingsmeren. Omwille van de samenstelling van de ondergrond bevat dit water ook hoge concentraties aan zware metalen. Het water verdampt waarna er een zoutkorst (met zware metalen) achterblijft. Bij hevige neerslag in het regenseizoen krijgen deze verdampingsmeren soms te grote hoeveelheden water te slikken waardoor de dijken kunnen breken. Het vrijgebroken water komt dan in de Desaguadero-rivier terecht die het zout en de zware metalen meevoert naar het Poopó meer. Onderweg kan ook de rivier buiten haar oevers treden en zo verontreinigd slib achterlaten.
  2. Het oppompen van grondwater om de mijn droog te houden, heeft ook een invloed op de grondwaterreserves die tot kilometers verder in de put sijpelen. Verschillende gemeenschappen stroomafwaarts van de mijn klagen over opgedroogde en/of verzilte grondwaterputten.
  3. De gebrekkige opslag van het verontreinigde afvalgesteente, leidt tot het vrijkomen van zware metalen die in de bodem infiltreren en zo het grondwater verontreinigen.

Er bestaat zeer veel onduidelijkheid over wat er nu nog verder met de site en met EMIRSA zal gebeuren. Volgens EMIRSA zelf trekken zij volledig weg uit Oruro en hebben zij geen verdere plannen om verder te blijven ontginnen. Er doen echter geruchten de ronde dat ze plannen hebben om voor naburige bergen concessierechten te verkrijgen zodat zij daar ter plekke goud kunnen blijven ontginnen. Een andere piste is dan weer dat kleinere mijncoöperatieven er verder goud zullen ontginnen, waarbij EMIRSA mogelijks als groothandelaar zou kunnen optreden. Wat de toekomst ook biedt, het komt er nu op aan om de case te blijven volgen.

Projecten in Bolivia

Hieronder vind je de projecten die CATAPA uitvoert en uitgevoerd heeft in Bolivia ter ondersteuning van onze partners in het land.

In 2010 gaf CATAPA gevolg aan de vraag van haar Boliviaanse partner CORIDUP een oplossing te vinden voor de acute drinkwaterproblematiek. Deze vereniging van plattelandsgemeenschappen zocht namelijk naar een manier om de drinkwaterschaarste en vervuiling aan te pakken in de – door klimaatverandering en mijnbouw – getroffen regio. Hoewel waterzuivering an sich niet de core business van CATAPA is, kon met financiering door het Fonds Elisabeth en Amélie van de Koning Boudewijnstichting het zonnedestillatoren project mee ondersteund worden.

Context

Al jaren heeft de Boliviaanse altiplano te kampen met een ernstige vorm van waterverontreiniging. Het zonnedestillatorenproject focust op het actiegebied van CORIDUP, dit is het zuidelijke deel van het stroombekken van de Rio Desaguadero dat bestaat uit de rivier Desaguadero zelf en de meren Uru Uru en Poopó. Dit gebied heeft te maken met een ernstige verzilting en een te hoge concentratie aan toxische metalen in grond- en oppervlaktewater. Deze vervuiling heeft vanzelfsprekend ernstige gevolgen voor de lokale bevolking op vlak van gezondheid: een lage levensverwachting, frequent voorkomende kankers, infertiliteit en storingen van het centrale zenuwstelsel. De oorzaak van deze verontreiniging is zowel natuurlijk als antropogeen. Enerzijds is de bodem van nature rijk aan zouten en metalen, anderzijds zorgen klimaatverandering en mijnbouw voor verhoogde zout- en metalen concentraties. Deze oorzaken worden bovendien versterkt doordat de Rio Desaguadero samen met de meren Uru Uru en Poopó een endoreïsch (i.e. gesloten) bekken vormt. Tussen dergelijk bekken en de zee bestaat er geen verbinding, waardoor verdamping de enige uitweg vormt. Grote verdampingsvlaktes zoals de zoutvlaktes van Coipasa en Uyuni zijn hiervan het gevolg. Toeval wil dat net ditzelfde verschijnsel van verdamping – en dus het achterblijven van zouten en metalen – tegelijkertijd ook een oplossing vormt voor het probleem. Want stel – louter hypothetisch – dat je een gigantische stolp over het bekken van de Desaguadero rivier en Uru Uru en Poopó meren zou kunnen plaatsen, dan zou het verdampte water condenseren op deze stolp en in de vorm van miljarden gezuiverde (gedestilleerde) waterdruppels langs de wand naar beneden glijden.

Werking

De gigantische stolp in de beschrijving hierboven kan op kleine schaal nagebootst worden in de vorm van een zonnedestillator. De stolp wordt dan het dak/deksel van de destillator. De zonnedestillator is zeker geen nieuwe zuiveringstechniek, hetzelfde principe werd onder meer gebruikt als overlevingsstrategie op zee en in de woestijn. Het verontreinigde water wordt in een goed afgesloten reservoir door de zon opgewarmd en verdampt. Vervolgens condenseert (i.e. vormt druppels) dit water op een koel, schuin aflopend oppervlak (i.e. het dak/deksel van de destillator). Tenslotte glijden deze waterdruppels af tot in de daarvoor voorziene kanaaltjes die het gezuiverde water in een proper reservoir collecteren (Figuur 1 en Figuur 2). Het klimaat van de altiplano leent zich bij uitstek voor dit soort toepassingen. Er is een overvloed aan zon het hele jaar door (zo wordt een efficiënt broeikaseffect bekomen), maar tegelijkertijd is de omgevingstemperatuur relatief laag (wat de condensatie ten goede komt).

   

Fig. 1: Werking zonnedestillator (schema)
Fig. 2: Werking zonnedestillator – Fotografisch)​

Constructie

De Technische Universiteit van Oruro (UTO) deed als eerste kleinschalig onderzoek naar een prototype dat lokaal eenvoudig geproduceerd kon worden. Hierbij werd echter vooral gefocust op het destilleerproces zelf en minder op de materialen nodig voor een robuuste constructie. Dit laatste werd verder onderzocht door de lokale ngo Complejo Solar, met ondersteuning van de ngo CEPA en CATAPA vzw. Zo volgden er een aantal prototypes waarbij door kleine aanpassingen – zowel van het model zelf, als van de gebruikte materialen – door te voeren tot een finaal prototype kon gekomen worden (Figuur 3). Tijdens dit zoekproces sprongen bovendien een aantal nieuwe geïnteresserde Boliviaanse organisaties op de kar, met name SENTEC, LIDEMA en PIEB. De kracht van de ontworpen destillator zit in de eenvoud van de constructie (wat ook herstellingen goedkoop en gemakkelijk maakt), in de robuustheid van het ontwerp (zodat deze tegen de ruwe weersomstandigheden is bestand) en het gebruiksgemak/autonomie (het water wordt ’s morgens toegevoegd en is ’s avonds gedestilleerd ter beschikking). Ook het solitaire karakter van de installatie is een noodzakelijk punt, want aangezien de om een oplossing vragende families erg verspreid leven, is een gecentraliseerde watervoorziening voor deze streek geen optie.
Fig. 3: Constructie verschillende prototypes

Interventiezone

Het project spitst zich toe op de 80 plattelandsgemeenschappen binnen de organisatie CORIDUP, allen woonachtig in het departement Oruro, rond de Rio Desaguadero en de meren Poopó en Uru Uru (Figuur 4). De eerste zonnedestillatoren bereikten de gemeenschappen die het zwaarst getroffen zijn, dit is enerzijds de gemeenschap van Santo Tomás stroomafwaarts van de Kori Kollo goudmijn (de mijn die ondertussen gesloten is, maar waarbij het grondwater uit de putten in de streek nog steeds erg verzilt en met metalen verontreinigd is), en anderzijds de gemeenschap van Sora Sora stroomafwaarts van de Huanuni mijn (waarbij de installatie van de ertsverwerking zijn sediment rechtstreeks in de Huanuni rivier loost, waardoor heel de streek stroomafwaarts vervuild wordt met toxische metalen).

Fig. 4: Interventiezone

Bewustmaking

Naast het produceren van drinkbaar water an sich, laat dit project ook andere belangrijke voeten in de aarde na. Zo werd de problematiek van verontreinigd grond- en oppervlaktewater ook echt tastbaar. Doordat de zouten en metalen na het verdampen als een korst achterblijven, wordt de vervuiling plots visueel zichtbaar voor de bevolking (Figuur 5). Zo worden in eerste instantie de families zelf gesensibiliseerd over het belang van zuiver drinkwater. In tweede instantie kunnen de plattelandsgemeenschappen gemakkelijker invloed uitoefenen op lokale en regionale overheden door ook op deze niveaus het probleem van waterverontreiniging tastbaar te maken. Ze beklemtonen het belang van dringende, concrete actie tegen de nadelige gevolgen van klimaatverandering en mijnbouw. Wil de overheid een verdere plattelandsvlucht vermijden, dan moet het beleid ook effectief rekening houden met de heersende problematiek.

Fig. 5: De verontreiniging van het grond- en oppervlaktewater wordt tastbaar wanneer na verdamping een korst van zouten en metalen achterblijft.

Context

Van januari 2016 tot december 2019 zal CATAPA samen met haar partners actief werken rond een waterproject rondom het Poopo-meer, op de Orureense hoogvlakte van Bolivia. Sinds het meer in november 2014 een grote ramp heeft gekend als gevolg van vervuilende mijnbouw en klimaatsverandering, is het begin anno 2016 bijna volledig uitgedroogd. Het kwam daaromtrent in de eerste weken van januari geregeld in de media. De uitdroging van het meer en de daarmee gepaard gaande vissterfte heeft niet alleen gevolgen voor de vissers, maar zorgt ook voor desastreuze gevolgen voor de watervoorziening in de hele regio.

Duizenden families rondom het Poopo- en Uru-Uru-meer hebben de afgelopen jaren hun watervoorraden zien slinken. Aanhoudende periodes van droogte en extreme watervervuiling als gevolg van mijnbouw in de regio zijn de primaire oorzaken. Het water in de Desaguadero-rivier en het lager gelegen Poopo-meer werden een aantal jaren geleden reeds compleet onbruikbaar verklaard voor menselijk gebruik. Daarom zijn er dringende maatregelen nodig voor de gemeenschappen in het gebied.

.

Project

Met subsidies van Vlaanderen in het kader van het VPWvO (Vlaams Partnerschap Water voor Ontwikkeling) en de samenwerking met verschillende Vlaamse (Academics for DevelopmentIngeniers zonder Grenzen) & lokale organisaties (CEPA, CORIDUP), zal CATAPA in de komende 4 jaar watertanks en dakconstructies plaatsen voor de opvang van regenwater.  Daarnaast zullen er vormingssessies voor de lokale bevolking georganiseerd worden.

Je vindt via deze link de beschrijving van het project op de website van het Vlaams Partnerschap Water voor Ontwikkeling.

Methoden

Het doel van het project is om in zes gemeenschappen waar de waterschaarste het grootst is, een 36-tal watertanks inclusief dakconstructie te plaatsen om het hemelwater op te vangen. Deze zes gemeenschappen bevinden zich binnen drie gemeentes, namelijk Machamarca, El Choro en Poopó.

De kwaliteit van het water is belangrijk en daarom wordt er gebruik gemaakt van een filtersysteem. Ook wordt het water gecontroleerd door middel van verschillende wateranalyses zowel gedurende het regenseizoen als het droogseizoen.

De selectie van families waar een tank zal worden geplaatst zal gebeuren op basis van een aantal criteria. Daarvoor wordt beroep gedaan op de gemeente, de lokale inheemse leiders en CORIDUP (als volksorganisatie). De medewerking van CEPA, onze vaste partner in Bolivia, aan het selectieproces zal vertrouwen scheppen en favoritisme vermijden.

Bovendien zullen ook intensieve vormingssessies georganiseerd worden in de desbetreffende en omringende gemeenschappen. Zowel technische bijstand over duurzaam onderhoud van de watertanks als algemenere informatie over duurzaam watergebruik,  andere potentiële waterbronnen, en kennis over de oorzaken van watervervuiling en de wetgeving rond water zullen in deze sessies aan bod komen. Zo’n 2900 mensen zouden kunnen bereikt worden met deze vormingssessies, waardoor in totaal heel wat mensen in de regio zowel direct als indirect van het project beroep kunnen doen.

Evaluatie

Het project zal gedurende 4 jaar opgevolgd worden door een zuid-medewerker van CATAPA die het project ter plaatse zal helpen ondersteunen & evalueren samen met onze partner CEPA. Onze Vlaamse partners zullen ons ook bijstaan bij de evaluatie van het project, en zullen indien nodig aanbevelingen voor bijsturingen van het project formuleren in de loop van de 4 jaar.

Hoewel de financiering van het project na 4 jaar stopt, hopen we samen met al onze partners dat na 2019 de mensen in de betrokken dorpen en in de bredere regio duurzaam gebruik van water zullen verderzetten. Cepa is al jaren actief betrokken bij de werking in de dorpen en zal dus ook na het project een verdere begeleiding in de gemeenschappen voorzien.