Er is een ongelimiteerde honger naar grondstoffen op een biofysisch beperkte aarde.

De grondstoffenproblematiek zal de volgende decennia hoog op de internationale agenda staan en speelt net als de energieschaarste een sleutelrol in het klimaatverhaal. Goud, zilver, coltan, koper,.. : metalen en mineralen worden op allerlei manieren in dagdagelijkse producten verwerkt en massaal ontgonnen door mijnbouwbedrijven. De impact van mijnbouw is echter immens: zowel op ecologisch, economisch als sociaal-cultureel vlak laten de activiteiten diepe wonden na.

Impact van mijnbouw

Mijnbouw kent sinds de jaren ’90 een enorme boom. De combinatie van hoge grondstoffenprijzen, nieuwe mijnbouwtechnologieën die het mogelijk maakten om plaatsen te exploiteren die voorheen niet haalbaar of economisch rendabel waren, en de institutionele hervormingen van de sector en de economie in zijn geheel, hebben van Latijns-Amerika één van de meest aantrekkelijke gebieden gemaakt voor zowel nationale als internationale investeerders. Investeren in mijnbouw is daarom enorm winstgevend, temeer vermits de mondiale vraag blijft stijgen. Ondanks de huidige daling van de grondstoffenprijzen, blijven overheden volop kiezen voor een op export van ruwe grondstoffen gericht economisch model.

Ook Europa bekrachtigt het extractivistische economische model in Latijns-Amerika, waar export van ruwe grondstoffen centraal staat. De vrijhandelsakkoorden die werden afgesloten met Peru en Colombia bijvoorbeeld, moeten de grondstoffenimport naar Europa en Europese investeringen in de regio veiligstellen.Verschillende Latijns-Amerikaanse landen hanteren een politiek van ‘extractivisme’, een politiek, economisch, juridisch en cultureel systeem dat de ontginning voor export toelaat. De grootschalige ontginning van een gemeengoed (zoals ertsen en mineralen) wordt gedragen door  een staat die de vermarkting en privatisering niet alleen toelaat, maar ook promoot. In haar discours wordt de boodschap meegegeven dat dit ontginningsmodel ‘normaal, natuurlijk en historisch’ is. Investeringen worden beschermd ten koste van de rechten van burgers. Dit ontginningsmodel breidt zich in verschillende Latijns-Amerikaanse landen steeds verder en ongebreideld uit, met grote sociale en ecologische gevolgen.

Met de groei van de mijnbouw, wordt ook haar impact groter, zowel op economisch, ecologisch als op sociaal-cultureel vlak.

Voorstanders verwijzen naar landen zoals Canada, Australië en het Verenigd Koninkrijk om aan te tonen dat mijnbouw een centrale rol kan spelen in de ontwikkeling van een land. Critici verwijzen echter naar recentere voorbeelden zoals Peru, Bolivia, Zambia of de DR Congo om aan te tonen dat economieën die rijk zijn aan natuurlijke grondstoffen het minder goed doen dan landen met minder natuurlijke rijkdom.

Voorstanders zeggen dat mijnbouw leidt tot economische groei en vermindering van armoede. Dit zou bereikt worden door hogere belastinginkomsten voor de overheid, alsook de creatie van meer werkgelegenheid en betere dienstverlening in de lokale gemeenschappen. De verhoogde vraag naar goederen en diensten laat de lokale economie bloeien.

Deze argumenten kunnen kritisch bekeken worden. Critici betwisten dan ook dat mijnbouw de lokale gemeenschappen ten goede komt. De kosten en baten van mijnbouw worden niet eerlijk verdeeld.

Het zijn voornamelijk buitenlandse privébedrijven die investeren in mijnbouw. Het extravistisch model stelt de export van ruwe grondstoffen veilig, en vaak gebeurt de verdere verwerking niet in het land waar het product ontgonnen wordt. Bovendien is de huidige mijnbouwsector voornamelijk een kapitaalsintensieve sector, en niet zozeer arbeidsintensief. De tewerkstelling van de lokale bevolking is dus relatief. Daarnaast zien boeren, die afhankelijk zijn van landbouw, hun inkomsten verdwijnen wanneer terreinen worden ingenomen door mijnbouw, of te kampen hebben met ernstige vervuiling ten gevolge van die mijnbouw.

Een verdere verstoring van de lokale economieën wordt veroorzaakt door het dutch disease effect. Deze term verwijst naar een fenomeen dat zich in de jaren ‘60 voordeed in Nederland, toen aardgasreserves werden ontdekt. De ontdekking van grondstoffen leidde tot de stijging van de waarde van de lokale munt. Dit zorgde voor een vermindering van de concurrentiepositie van het land, een daling van economische productie en een stijging van de werkloosheid. Het is dus een macro-economisch fenomeen dat speelt wanneer buitenlandse deviezen gewonnen worden met de ontginning van grondstoffen. In veel gevallen is de bijdrage van de mijnbouw aan de micro-economische situatie dan globaal gezien eerder negatief dan positief.

De belastinginkomsten die op nationaal niveau worden geïnd, zijn vaak maar een fractie van de winsten die gemaakt worden door de investeerders. Privé bedrijven maken grote winsten, terwijl er een beperkte terugvloeiing naar het land en zijn inwoners is. De passieve kosten blijven voor het land zelf onder de vorm van milieuvervuiling en sociale onrust. Het inzetten van een land op de export van grondstoffen creëert ook een sterke afhankelijkheid van de vraag naar mineralen door de wereldeconomie: als de vraag sterk daalt, kunnen de Latijns-Amerikaanse economieën zware klappen krijgen.

Niet alleen het landschap ondergaat drastische veranderingen tijdens een mijnbouwproject.  De verschillende vormen van mijnbouw kunnen een heel areaal aan types vervuiling en verstoring met zich meebrengen. De impact van mijnbouw op een ecoysteem is dan ook moeilijk te onderschatten.

Water speelt hier een cruciale rol. Bij het extractieproces zijn enorme massa’s zoet water nodig. De aanvoer van dit water veroorzaakt verdroging, waterschaarste, en eventueel verzilting in de omliggende gebieden. Tijdens het ontginnen wordt ook een grote hoeveelheid aarde en rots verplaatst Het afgevoerde water neemt veel van dit materiaal mee, en veroorzaakt sedimentatie in rivieren.

Maar niet enkel aarde wordt meegevoerd. De aangewende technologie voor het ontginnen van mineralen gebruikt bijzonder giftige chemische producten die vaak in het grondwater terecht komen. De huidige goud- en zilverwinning maakt gebruik van cyanide om het goud van de waardeloze ertsen te scheiden. Cyaniden zijn zeer giftige stoffen, de dodelijke dosis voor de mens bedraagt 3-10mg/kg. In het geval van de ontginning van koper of nikkel wordt zwavelzuur gebruikt. Bij onzorgvuldig beheer van deze processen, bij accidentele lekken of ongelukken komen deze chemicaliën in de omgeving terecht. Cyanide ontbindt snel eens het in contact komt met zuurstof, maar onder bepaalde vormen kan het in rivieren toch afstanden van 60 km afleggen.

Ook zware metalen die in de ertsen zaten opgeslagen, komen vrij (de op een hoop gegooide ertsen reageren  na contact met water en zuurstof) en kunnen migreren naar het oppervlakte- en grondwater. Dit proces heet zure drainage, en is maar heel moeilijk te stoppen eens het in gang is gezet. In Engeland zit er tot vandaag nog kwik in de grond als gevolg van mijnen die door de Romeinen werden ontgind.

Deze vervuiling van het milieu vormt een bedreiging voor flora en fauna. De biodiversiteit vermindert drastisch. De lokale bevolking kampt met gezondheidsproblemen. Vervuilde grond en gebrek aan zuiver water maken ook landbouw onmogelijk. Door de ontbossing en de massale afgravingen worden er grote littekens op het landschap achtergelaten.

Na sluiting van een site acht het mijnbouwbedrijf zich vaak niet verantwoordelijk om het mijnbouwafval op te ruimen en de ontginningsite te rehabiliteren. Ook informele mijnbouw, waarbij kleinere bedrijfjes en lokale gelukzoekers beginnen te ontginnen zonder toestemming en regulering, heeft een effect op het milieu. Het hoeft niet te verwonderen dat bij dergelijke initiatieven de controle op de vervuiling miniem is, en bijgevolg de impact aanzienlijke vormen kan aannemen, ook al gebeuren deze ontginningen op kleinere schaal.

Het oorspronkelijke ecosysteem is verdwenen, samen met al de mogelijke diensten die het kon leveren aan de gemeenschap: ecotoerisme, erosiebestrijding, waterhuishouding van de regio (irrigatie en drinkwater), voedselproductie, creatie van een micro-klimaat, …

De komst van een mijnbouwproject is een mogelijke bron voor grote spanning. De interesses van de mijnbouwbedrijven of de overheid komen niet altijd overeen met deze van de lokale bevolking. Wanneer mijnbouwconcessies worden verleend zonder inspraak van de gemeenschap komt deze vaak in opstand.

Zij vragen inspraak in de verlening van concessies en controle over de natuurlijke hulpbronnen waarop hun bestaan geënt is. Met de komst van mijnactiviteit vrezen zij ernstige vervuiling en een verwoesting van het ecosysteem. Inheemse gemeenschappen in Latijns-Amerika hebben een wereldbeeld (cosmovisión) dat is opgebouwd rond de traditionele vorm van landbouw, waarin de dynamiek tussen mens en omgeving centraal staat. Ingrijpen in het landschap en het ecosysteem, betekent dan ook een rechtstreekse ingreep in de traditionele cultuur.

Daarnaast dragen de mijnen weinig of niet bij aan de lokale economische ontwikkeling. Meer zelfs, onderzoek toont dat de kloof tussen rijk en arm vergroot.

Ten gevolge van de komst van de mijnbouw veranderen ook de sociale structuren. Potentiële arbeiders en hun families stromen toe in dorpen en steden in de buurt, terwijl het verlies van landbouwgrond een plattelandsvlucht met zich meebrengt. De kloof groeit tussen zij die werken in de mijn, en zij die ten gevolge hiervan geen inkomsten meer hebben. Dit zorgt voor nog meer spanningen in de snel aangroeiende steden met meer werkloosheid, armoede, prostitutie en geweld als gevolg.

In vele gevallen leidt  protest van lokale organisaties en hun leiders tot een regelrecht conflict. Zij worden het doelwit van bedreiging al dan niet rechtstreeks geuit door de mijnbedrijven, hun spionnen, milities of bewakingsfirma’s. Leger en politie worden niet zelden ingezet om de belangen van de bedrijven te garanderen, eerder dan ter bescherming van de lokale bevolking. Deze escalatie leidt tot mensenrechtenschendingen. Om de weerstand te breken wordt het sociaal protest gecriminaliseerd. Een verdeel en heers strategie wordt toegepast onder de vorm van omkoping, bedreiging, geweld en chantage.

De socio-ecologische conflicten draaien dus rond de controle over rurale territoria. Boeren verliezen hun gronden, terwijl bedrijven de rechten op diezelfde gronden dikwijls voor een spotprijs kunnen kopen.  Deze relatief nieuwe conflicten spelen zich af tussen transnationale ondernemingen en het middenveld, waarbij de staat vaak de transnationale ondernemingen steunt, onder het mantra van economische groei. Bescherming van mensenrechten en milieu wordt als tegenstrijdig met economische ontwikkeling voorgesteld. De geografische expansie van mijnbouw gaat bijgevolg gepaard met sociale onrust.

In kader van de bescherming van de rechten van inheemse bevoking ontwierp de Internationale arbeidsorganisatie (ILO; International Labour Organisation) de Conventie 169: het verdrag betreffende inheemse en in stamverband levende volken in onafhankelijke landen (1989). Dit is een internationaal instrument dat stelt dat inheemse bevolking geconsulteerd moet worden bij een beslissing die hun territorium beïnvloed. 22 landen, waaronder de meeste Latijns-Amerikaanse, schaarden zich achter deze conventie. Er is echter een grote grijze zone tussen de ratificatie van het verdrag en de actuele toepassing ervan. Er is nog een lange weg af te leggen.

Mijnbouwtechnieken

Grondstoffen kunnen op verschillende manieren worden ontgonnen. Enerzijds is er de klassieke, grootschalige mijnbouw, die meestal door multinationals wordt bedreven. Anderzijds bestaan er ook meer kleinschalige, artisanale vormen van mijnbouw. CATAPA werkt voornamelijk rond de grootschalige klassieke mijnbouwtechnieken vermits deze de grootste impact hebben op de mensen en het milieu. De klassieke mijnbouwtechnieken kunnen onderverdeeld worden in twee categorieën: ‘oppervlaktemijnbouw’ en ‘ondergrondse mijnbouw’. Afhankelijk van het type erts en waar dat in de bodem te vinden is, wordt gebruik gemaakt van oppervlakte- of ondergrondse mijntechnieken.

Ertsen, of metaalhoudende gesteenten en mineralen, worden ingedeeld in twee categorieën naargelang de hoeveelheid mineralen per ton gesteente, en de waarde van het mineraal. Voor goud, bijvoorbeeld, wordt er gesproken van laaggradig gouderts (bij minder dan 2 gram goud per ton erts) en hooggradig gouderts (vanaf 6 gram per ton erts). voor koper wordt 1% koper/ton erts als laaggradig erts beschouwd en voor ijzer wordt zelfs nog van laaggradig erts gesproken wanneer er 25% tot 30% ijzer in de grond zit.

Meestal bevat de ondergrond van een mijnsite meer dan één metaal, bijvoorbeeld goud en koper zoals in de Skouriesmijn in Griekenland en de Congamijn in Peru.

De gradatie bepaalt welke mijntechniek winstgevend is; zo zal er in het geval van laaggradig goud gebruik worden gemaakt van open-pit mijnbouw, terwijl bij hooggradig goud eerder ondergrondse mijnbouwtechnieken toegepast worden. De gradatie bepaalt het energieverbruik en de hoeveelheid verontreinigde reststoffen, vermits er meer chemicaliën nodig zijn wanneer er slechts lage mineraalconcentraties aanwezig zijn. Maar ook de diepte waarop de gewilde metalen kunnen worden teruggevonden, speelt een rol. Gouderts aan de oppervlakte zal eerder worden ontdekt en makkelijker kunnen worden ontgonnen (d.m.v. oppervlaktemijnbouw), terwijl pas later dieper liggende grondlagen zullen worden aangeboord (d.m.v. ondergrondse mijntechnieken).

Door de hoge extractiegraad in de voorbij decennia zijn de meest interessante ertsen (dus die met de hogere (meer winstgevende) concentraties reeds ontgonnen, terwijl de grondlagen met lagere concentraties eerder overblijven. De toenemende schaarste zorgt voor een stijgende grondstofprijs waardoor het ook winstgevend is geworden om zeer mineraalarme (of laaggradige) sites te ontginnen. Zo worden sites al volledig ontgraven (via open-pit mijnbouw) wanneer er minder dan 0,2 gram goud per ton erts te vinden is. Dit veroorzaakt meer gevaarlijk mijnbouwafval per gram goud.

Oppervlaktemijnbouw

Open-pit mijnbouw of dagbouw

Open-pit mijnbouw is de meest gebruikte mijnbouwtechniek wanneer het gaat om nieuwe mijnen. Via deze techniek wordt de bodem volledig afgegraven, en gebeurt het scheiden van de mineralen en het overige bodemmateriaal volledig bovengronds.

De eerste stap in dit ontginningsproces is het delven van het erts. Hierbij wordt eerst de vegetatie verwijderd en de ondergrond afgegraven tot aan de grondlagen die de kostbare ertsen bevatten. Dat zorgt ervoor dat waardevolle ecosystemen volledig ontregeld worden, en de vruchtbare bovenste laag van de bodem (die gevormd wordt door een eeuwenlange opeenvolging van natuurlijke processen en cruciale micro-organismen bevat) verwijderd en vernield wordt.

De afgravingstechniek bestaat uit het stelselmatig opblazen van de bodem wat het bodemmateriaal los doet komen. De grondlagen worden opeenvolgend afgegraven waardoor een komvormige put (pit) ontstaat die een trapstructuur heeft aan de wanden. Deze zorgen ervoor dat transport van het bodemmateriaal mogelijk blijft. De diepte van deze kraters varieert naargelang de mineralen die zich erin bevinden en de prijs van deze mineralen. Hoe dieper wordt gegraven, hoe duurder het wordt, waardoor op een gegeven moment de relatieve ontginningskost de opbrengst overschrijdt. Het is dus mogelijk dat een deel van de mineralen onontgonnen blijft. De kraters kunnen dieptes van meer dan een kilometer bereiken (bijvoorbeeld Yanacocha-mijn in Peru). Om de overblijvende mineralen toch uit de grond te halen, zonder de open-pit mijn nog dieper te maken, wordt deze techniek soms gecombineerd met ondergrondse mijnbouwmethoden.

Het ontgraven bodemmateriaal bestaat uit een mineraalloos en mineraalhoudend gedeelte. Het mineraalloos bodemmateriaal wordt afgevoerd naar hopen van afvalgesteenten en het mineraalhoudend bodemmateriaal wordt afgevoerd naar crushers.

Hier begint de tweede fase, het verpulveringsproces. Hierbij worden de ertsen tot kleinere deeltjes vermalen, gespleten en geschaafd. Dit vergt gigantisch veel energie, wat dit dan ook de meest kostelijke stap maakt in het ontginningsproces. De vermalen ertsen worden gedeponeerd in grote ertshopen (heaps), die een hoogte van meer dan 100m kunnen bereiken.

Om de mineraalatomen (bv. goudatomen, koperatomen…) te scheiden van de restfractie, worden deze hopen besproeid met een chemicaliënoplossing, waardoor zure drainage optreedt. Deze methode wordt heap leaching genoemd en kan o.a. gebruik maken van cyanide in het geval van goud (cyanide heap leaching) of zwavelzuur voor koper of nikkel (Sulfuric acid heap leaching). De mineraalatomen binden zich met deze chemicaliën en vormen complexen die worden opgevangen. Nadien wordt het mineraal uit dit complex gehaald. Deze techniek vereist een enorme hoeveelheid water (per ontgonnen kilogram goud wordt er een miljoen liter grond- en oppervlaktewater gebruikt) en chemicaliën. Veel van deze chemicaliën komen terecht in de omgeving via accidentele lekken of ongelukken, en hoewel het technologisch perfect mogelijk is om de hoeveelheid cyanide in afvalwater te beperken tot < 0.0001%, zijn er nog steeds grootschalige mijnbouwprojecten waar afvalwaterstromen 10% cyanide bevatten door een slechte recuperatie en/of afbraak. Het cyanide ontbindt wel snel in de natuur, eens het in contact komt met zuurstof, maar onder bepaalde vormen kan het in rivieren toch afstanden van 60 kilometer afleggen. Zwemmen in water met een concentratie van een milligram cyanide per liter is dodelijk voor zoogdieren, voor de mens is 0.3mg per deciliter een letale dosis.

Gebruik van Cyanide:

Bij goudmijnbouw moet rekening gehouden worden met een bijkomend en belangrijk risico. De huidige technologie maakt gebruik van cyanide om het goud van de waardeloze rotsen te scheiden. Cyanide is een zeer giftige stof, de dodelijke dosis voor de mens bedraagt 50-200 mg. Bijgevolg moeten tijdens het scheidingsproces voldoende voorzorgsmaatregelen getroffen worden en moeten het gebruikte water en de behandelde rotsen op de gepaste manier behandeld worden. Dat dit niet altijd gebeurt, werd op 30 januari 2000 bewezen in Roemenië. Door een breuk in een dam kwam 50-100 ton cyanide vrij in de Lapus, een rivier van het Tiszabekken. Als gevolg van dit ongeluk stierf in Hongarije meer dan 1200 ton vis. Wanneer cyanide in het milieu terechtkomt, vormen op lange termijn de zware metalen gebonden aan het cyanide echter het grootste probleem. Cyanide breekt relatief snel af, maar zware metalen blijven eeuwig in het milieu.

Deze techniek wordt gebruikt wanneer er laaggradig erts in de bodem te vinden is. Het overgrote deel van het ontgonnen bodemmateriaal is dan ook afval. Hoe waardevoller het mineraal, hoe meer afval. Zo is het bij de ontginning van goud courant dat meer dan 99,9% van het ontgonnen materiaal afval is. De San Martin-mijn in Honduras bijvoorbeeld, heeft een opbrengst van gemiddeld één gram goud per acht ton gesteente (0.0000001%).

Nadat de mijn is uitgeput wordt de open-pit site weer opgevuld met het afvalgesteente. Zeer vaak bevatten de afvalhopen nog cyanideresten. Deze worden simpelweg bedekt met klei en nieuwe aarde, om zogenaamd doorsijpeling te voorkomen. Hiermee wordt de verspreiding van de toxische stoffen echter gewoon vertraagd.

Via promotievideo’s maken mijnbedrijven graag bekend dat ze nadat de mijn is uitgeput de aarde gaan ‘rehabiliteren’ (of herstellen). Met technieken als fytoremediatie worden mijnsites bedekt met planten, waardoor het lijkt alsof de aarde zich snel herstelt. Om meer effectief te zijn zou een dergelijke aanpak echter van bij het opstarten van de mijn onderdeel moeten vormen van het ‘business plan’. De bovenste vruchtbare laag van de bodem (die bij het begin wordt weggehaald) zou dan kunnen worden bewaard om later bij de rehabilitatie opnieuw te gebruiken. Lokale plantensoorten en micro-organismen zouden moeten worden verzameld en gecultiveerd om achteraf opnieuw op de site te planten, enz. Lokale gemeenschappen zouden kunnen worden betrokken om het lokale ecosysteem te herstellen en duurzaam te onderhouden. In werkelijkheid wordt phytoremediatie echter zelden zo grondig aangepakt en vormt het hoogstens een lapmiddel achteraf. Mijnsites worden vaak ongerehabiliteerd (en dus sterk vervuild) achtergelaten.

Studies spreken van een hersteltijd die langer kan zijn dan duizenden jaren. De verontreiniging blijft dus gewoon bestaan of via doorsijpeling zelfs doorgaan. De uitgeputte mijnbouwsites blijven dan ook lang nadat de mijnen zijn uitgeput met hekken omringd om te voorkomen dat dieren eten van de gecontamineerde planten.

Strip mining en quarrying

Dit zijn twee gelijkaardige technieken als open-pit mijnbouw, maar deze worden in het algemeen minder gebruikt. Enkel voor steenkool en siergesteenten zijn deze technieken relevant.

Ondergrondse mijnbouw

Sublevel caving

Sublevel caving is een techniek die gebruikt wordt op het moment dat dagbouw niet meer economisch haalbaar is en de ertsafzetting steil en diep is. De ertsen worden vanuit verschillende tussenniveaus ontgonnen vanuit boortunnels met behulp van explosieven. De rots- en ertsmassa wordt van onderuit afgevoerd.

Voorbeeld: Goldex goudmijn in Quebec, Canada

Block caving

Block caving is een ondergrondse mijnbouwtechniek die soms toegepast wordt onder open-pit mijnen. Het is een techniek waarbij er verschillende trechtervormige gaten geboord worden onder een te ontginnen massieve blok erts. Door de zwaartekracht verpulvert het bovenliggende erts en stroomt het als het ware naar de afvoertunnels. Van daaruit verzamelt men het erts en wordt het afgevoerd naar de oppervlakte. Dit proces kan een een bovengronds zichtbare verzakking veroorzaken.

Voorbeeld: de Northpark koper- en goudmijn in New South Wales, Australië.

Room and pillar mining

“Room and pillar mining” of “bord and pillar mining” is een mijnbouwtechniek geschikt voor horizontale ertsafzettingen. Erts wordt ontgonnen in een horizontale ruimte waarbij pijlers onaangeroerd blijven, deze zorgen voor de stabiliteit van de ruimte. Er zijn ook verschillende grotere pijlers die verschillende ruimtes creëren die onafhankelijk van elkaar zijn in geval van instorting.

Voorbeeld: Plutonic goudmijn in Australië

Blasthole stoping

Blasthole stoping is een techniek die toegepast wordt wanneer er steile regelmatig afgelijnde ertsafzettingen zijn en het gesteente sterk is.

Sublevel stoping en vertical retreat (VCR) mining zijn twee variaties op deze techniek

Voorbeeld Blasthole Stoping:  Fruta Del Norte goud- en zilvermijn in Ecuador.

Shrinkage stoping

Deze techniek wordt gebruikt bij smalle steile ertsafzettingen. Erts wordt van onder naar boven toe gebroken in horizontale lagen. Het gebroken erts laat men grotendeels ter plaatse totdat de volledige laag gebroken is. Daarna voert men het erts af van onder uit.

Voorbeeld: de Sleeping Giant goudmijn in Quebec, Canada.

Cut and fill stoping

Cut and fill stoping is een mijnbouwtechniek die in veel situaties kan toegepast worden.

Erts wordt in horizontale of licht hellende lagen ontgonnen, waarna de open ruimte heropgevuld wordt met nutteloze rotsresten, zand of mijnafval. Deze hervulde laag wordt soms nog gestabiliseerd met beton.

Voorbeeld: Crixas goudmijn in Goias, Brazilië

Hoewel kleinschalige mijnbouwtechnieken slechts voor een klein aandeel van de wereldwijde metaalontginning instaan, zijn er internationaal tientallen miljoenen mensen die leven van artisanale mijnbouw. Deze vorm van ontginning wordt echter zelden erkend en is dus meestal illegaal. Bijvoorbeeld wanneer het gaat om goud is artisanale en kleinschalige mijnbouw slechts verantwoordelijk voor 10% van de wereldwijde goudtoevoer, hoewel het wel 90% van de tewerkstelling in de goudsector voorziet.

Deze sector heeft te maken met specifieke problematieken zoals extreem slechte regulering, ongecontroleerde en onveilige werkomstandigheden, kinderarbeid en slechte werkomstandigheden (specifiek ook voor vrouwen), laagtechnologische (en daarom vaak meer vervuilende) technieken, …

Het ontgonnen goud wordt voor een veel te lage prijs verkocht en komt via een ingewikkeld netwerk van tussenhandelaars terecht op de (zwarte) markt. Door de lage prijs die zij krijgen voor het ontgonnen goud, is de armoede groot onder artisanale mijnarbeiders. Bovendien ondervinden zij zeer vaak negatieve effecten op hun gezondheid door de slechte arbeidsomstandigheden in de mijnen en de hoge blootstelling aan giftige chemicaliën zoals cyanide en kwik.

Ondanks de kleinschaligheid van artisanale mijnbouw, kan deze toch een grote invloed hebben op lokale ecosystemen doordat er gebruik wordt gemaakt van weinig gecontroleerde en laagtechnologische ontginningstechnieken, waarbij vaak extreem giftige stoffen worden gebruikt om de metalen uit ontgonnen ertsen te concentreren die een bron van vervuiling vormen voor lokale fauna en flora. Bij alluviale mijnbouw kunnen artisanale activiteiten ook de sedimenten van rivieren (en dus de leefwereld van talloze micro-organismen) grondig omwoelen. Bij ondergrondse mijnbouw kunnen erg onveilige situaties ontstaan omdat explosies en ondergrondse gangen/tunnels niet gecoördineerd of in kaart gebracht worden. Zo kunnen zelfs woonwijken ongemerkt ondermijnd worden waarbij gevaar ontstaat voor grondverzakkingen, enz.

Mijntechnieken

Metalen die voorkomen in rivierbeddingen of residubekkens/tailings (achtergelaten door grootschalige mijnbouw) worden alluviale metalen genoemd. Alluviale metalen zijn eenvoudig te ontginnen met schop en pan en dus zonder chemicaliën. Er zijn een aantal extractietechnieken om het metalen te onttrekken (deze worden vooral voor goudontginning gebruikt):

  • Pannen: erts en een grote hoeveelheid water worden geschud in een grote pan. Door de hoge massadichtheid van het metaal zakt het naar de bodem van de pan.Grind, modder en zand worden over de rand van de pan weggespoeld zodat enkel het metaal overblijft.
  • Sluice box: dit is een lange aaneenschakeling van trapjes of sluizen waardoor water met erts stroomt / wentelt en het metaal bezinkt. Alweer door de hogere massadichtheid van het metaal t.o.v. grind, modder, zand…
  • (Zeef)trommel: dit is een metalen roterende cilinder die in een lichte helling staat en aan het laagste uiteinde afgesloten is met een zeef/rooster. Erts en water (vaak onder druk) stromen door de cilinder en door de combinatie van de mechanische werking van de trommel en het water wordt het metaal losgeweekt van de ertsen.

Voorbeeld: Oro Verde, Colombia

Al deze technieken samen maken slechts een klein aandeel uit van de wereldwijde metaalontginning.

Hard rock mining

Metaalontginning uit hard gesteente gebeurt meestal in ondergrondse mijnen. Daardoor is er meer nood aan duurdere uitrusting/gereedschap (o.a. voor zuurstofvoorziening in de ondergrond). Eens de ertsen ondergronds ontgonnen zijn, gebeurt de extractie bovengronds in een aantal stappen:

  • De ertsen worden mechanisch en/of handmatig vermalen zodat er zo’n fijn mogelijk ertspoeder ontstaat. Hoe fijner het poeder, hoe meer metaal er onttrokken kan worden.
  • Met behulp van “sluice boxes”, pannen of een andere techniek op basis van zwaartekracht concentreert men uit de ertsen een metaalrijk mineraal.
  • Dit concentraat mengt men met kwik, zo vormt zich er een kwik-metalen mengsel: een amalgaam.
  • Het amalgaam wordt verhit zodat het kwik verdampt en er een residu van metalen overblijft.
  • Dit residu wordt gesmolten om resterend kwik verder te verwijderen. Hierdoor ontstaat er een semi-zuiver metaal.

Oplossingsstrategieën

CATAPA streeft ernaar dat ook ecologisch verlies op lange termijn in economische kosten-batenanalyses van mijnbouwprojecten op te nemen. De vraag moet gesteld worden: “Wat kost mijnbouw aan een land?”. Om deze denkoefening te maken moet er zeer casegericht worden gewerkt.

In het Noorden kan er wel een generalistische oplossingsstrategie voorop worden gesteld:
In de eerste plaats zullen er minder metalen moeten gebruikt worden. Het ontginnen van mijnen die amper metalen bevatten (bv. goudmijnen met minder dan 0.001% goud) is slechts een dure manier om de noodzakelijke gedragswijziging voor een zeer korte periode uit te stellen. Deze inefficiënte mijnpraktijken zijn duur in economische termen, maar dragen een gigantische ecologische en sociale kost met zich mee. CATAPA is van mening dat de investeringen in deze mijnbouwpraktijken vanuit het Noorden zo snel mogelijk moeten dalen.

Tegelijk met deze desinvesteringen, zal er efficiënter moeten worden omgegaan met de reeds ontgonnen metalen. Een investeringsshift zal moeten plaats vinden van investeringen in mijnbouw, naar investeringen in het in omloop houden van de reeds ontgonnen metalen, o.m. via recyclage en ecodesign.

Tot deze shift naar een circulaire economie, waarin afval de bron is van grondstoffen i.p.v. mijnen, compleet is, kan enkel verantwoorde mijnbouw een middel zijn om aan de grondstoffenvraag te voldoen. Hierbij is het onontbeerlijk dat casegericht wordt beschouwd op welke manier er aan mijnbouw kan worden gedaan, en dat de omwonenden steeds de eindbeslissing hebben over het al dan niet aan mijnbouw doen in hun regio. Bovendien zullen er steeds no-go zones blijven bestaan voor mijnbouw.

Globalisering

De laatste honderd jaar is de wereldbevolking verviervoudigd. Demografen schatten dat we tegen 2050 met meer dan 9 miljard op de aarde zullen zijn. Het merendeel van deze extra 2,3 miljard mensen wonen in ontwikkelings –en groeilanden. Al die mensen zullen nu en in de toekomst materialen en energie verbruiken om te (over)leven. De expansie van de wereldeconomie sinds de jaren ’90, voornamelijk aangedreven door landen zoals China, India en andere groeilanden, heeft een verhoogde vraag naar natuurlijke grondstoffen zoals olie, metalen en ertsen teweeg gebracht. Die vraag zal naar alle verwachtingen in de komende jaren blijven stijgen. De geopolitieke grootmachten rekenen mee. Ze willen zich zo snel mogelijk verzekeren van toegang tot de resterende natuurlijke grondstoffen, om te kunnen blijven voorzien in hun energie- en materialenbehoefte.

De toenemende schaarste en prijsstijgingen voor grondstoffen en energie, zoals mineralen, metalen, petroleum en gas, zorgde het voorbije decennium, voor geopolitieke onrust en een nieuwe boom in de sector van de extractieve industrieën. Tussen 1999 en 2008 stegen de grondstoffenprijs van metalen exponentieel. De mijnbouw kende sinds de jaren ’90 de mijnbouw een enorme boom, zich uitend in een snelle geografische en economische expansie, mogelijk gemaakt door politieke hervormingen, de stijging van de grondstoffenprijzen en technologische innovaties. In de loop van de laatste tien jaar zijn zowat alle voorwaarden voor een razendsnelle territoriale, economische (her)kolonisatie van het Zuiden gerealiseerd. Men spreekt dan ook vaak van een ’second colonization’ of ’second gold rush’. In hun rol van kolonisator zijn de westerse natiestaten vandaag vervangen door economische entiteiten – vooral transnationale ondernemingen. Transnationale ondernemingen en internationale organisaties domineren de sector. Zij bepalen de manoeuvreerruimte van de mineraalrijke landen, gezien hun sterke afhankelijkheid van de wereldmarkt en Buitenlandse Directe Investeringen (FDI). De stijgende grondstofprijzen, torenhoge winsten en de daarmee samenhangende concessiestrijd zorgen voor een concurrentieklimaat waarin -helaas letterlijk- over lijken wordt gegaan.

Deze transformaties lieten zich ook in Latijns-Amerika voelen. Ondanks de soms sterk verschillende ideologische kaders van de leidende regeringen (bvb Bolivia, Ecuador, Venezuela versus Peru, Colombia), toch zijn er gelijkaardige tendensen op te merken. Op dit moment overheerst de kortetermijnvisie bij zowel progressieve én conservatieve leiders. De extractieve industrie kreeg in Latijns- Amerika een sleutelrol in de economische groei gezien de exploratie en exploitatie van mineralen voor de injectie van vers kapitaal (en moderne technologie) zorgden. Sinds de crisis in Europa zijn er ook steeds meer regeringen in geldnood zoals Griekenland en Roemenië, die met nieuwe mijnbouw activiteiten snel nieuwe inkomsten trachten te genereren.

Europa bekrachtigt het economische model in Latijns-Amerika, waar export van ruwe grondstoffen centraal staat. De vrijhandelsakkoorden die werden afgesloten met Peru en Colombia, bijvoorbeeld, moeten de grondstoffenimport naar Europa en Europese investeringen in de regio veiligstellen. De Andes is nu eenmaal een te belangrijke leverancier van grondstoffen voor de Europese industrie, die in tijden van grondstoffenschaarste zijn aanvoer van grondstoffen wil veiligstellen. Aan de andere kant kunnen buitenlandse investeringen de sputterende economische motor van de EU opnieuw aantrekken, klinkt het. Ook onze federale regering schaart zich achter dit vrijhandelsbeleid.

Vandaag is er sprake van een sterke daling van de grondstoffenprijzen, waarmee er een einde lijkt te komen aan de jarenlange groei.  De grillen van de markten zijn moeilijk te voorspellen, maar de Andesregio, traditioneel een exporteur van grondstoffen, staat hoe dan ook voor een dilemma.
Afhankelijk blijven van de export van ruwe grondstoffen en dus van de ups en downs van de wereldeconomie? Of deze kans grijpen om werk te maken van een meer gediversifieerde en duurzame economie? Landen die erg afhankelijk zijn van de inkomsten uit mijnbouw- en aardgasontginning dreigen in zwaar weer terecht te komen door de keldering van de olie -en metaalprijzen (noot: goud vormt hierop een uitzondering). Zo daalde de koperprijs op een jaar tijd met ongeveer 24 procent. Een zware klap voor een land als Peru, dat tot de drie grootste koperproducenten ter wereld behoort.

Het lijkt het moment om een transitie door te voeren, maar voorlopig is het antwoord van vele regeringen in Latijns-Amerika anders. Men kiest ervoor om MEER te ontginnen zodat de tegenvallende inkomsten opgevangen kunnen worden en men versoepelt sociale -en milieuwetgeving om de buitenlandse investeerders in het land te houden. Het antwoord in Griekenland is anders. Zeven jaar van genadeloze besparingen opgelegd door de troika (de Europese Commissie, de Europese Centrale Bank en het IMF) hebben Griekenland tot over de afgrond geduwd. Na hernieuwde impulsen voor de exploitatie van mijnen in het land, zette de kersverse regering zich af tegen mijnbouwactiviteiten in hun land.

Lees meer op USGS National Minerals Information Center, waar er, onder andere, interactieve landkaarten te vinden zijn, die informatie over de mineralen van alle landen in de wereld geven.