Mega-Mijnbouwdagen in Bolivië: een verslag (deel 2)


Op 9, 10 en 11 november vonden in Cochabamba de ‘Jornadas de la Megaminería’ plaats. Een driedaags congres georganiseerd door de Boliviaanse organisatie CEDIB (Centro de Documentatión e Información Bolivia) over grootschalige mijnbouw in Bolivië binnen een internationale context, met presentaties van binnenlandse en buitenlandse sprekers. Aanleiding was de nieuwe mijnbouwwet die op dit moment geschreven wordt. Bedoeling is dat de conclusies uit dit congres worden gebundeld en dat er van daaruit aanbevelingen voor de nieuwe mijnwetgeving worden geformuleerd. VANDAAG: De Boliviaanse mijnbouwwetgeving.

 
Als zuidmedewerkers van Catapa waren wij ook aanwezig, en brengen we graag verslag uit van deze driedaagse. Een uitgebreid verslag, en daarom komt dit de komende weken in verschillende artikels online. Het eerste artikel bevatte een inleiding en de conclusies. In dit artikel wordt ingegaan op de mijnbouwwetgeving. In volgende artikels (komende vrijdagen) wordt dieper ingegaan op de actuele situatie van de mijnbouw in Bolivië en worden de gevolgen van de mijnbouw aan de hand van een aantal concrete cases verduidelijkt. Tenslotte wordt in een laatste artikel uitgelegd hoe Catapa samen met de partnerorganisaties CEPA en CORIDUP er alles aan doet op de schadelijke gevolgen van de mijnbouw te beperken
Momenteel wordt er in Bolivia gewerkt aan een nieuwe mijnbouwwet. De verschillende organen binnen de Boliviaanse mijnbouwsector zitten samen om een wetsvoorstel uit te werken dat dan door het parlement goedgekeurd moet worden. Viceminister Freddy Beltrán van het ministerie van Mijnbouw en Metallurgie kwam de nieuwe te schrijven mijnbouwwet toelichten en gaf meteen ook een overzicht van de geschiedenis achter de oude mijnbouwwet.
De oude wet , met laatste grote aanpassing in 1997, is er gekomen tijdens het ‘neoliberale’ klimaat van die tijd waarin de staat zich volledig terugtrok uit de mijnbouw, omdat het een "stervende sector" zou zijn en beperkte zich vanaf dan tot een louter administratieve, controlerende rol. Het initiatief werd overgelaten aan de privésector. Om buitenlandse investeringen aan te trekken werd er een financieel gunstig klimaat gecreëerd wat ertoe leidde dat Bolivia in 2007 tussen zijn buurlanden het goedkoopste mijnbouwland werd. Dat bracht echter niet de gewenste investeringen met zich mee. In al die tijd kwamen er slechts twee middelgrote mijnen bij: de door een Japans bedrijf uitgebate San Cristobal (vnl. Lood) en de goudmijnen van Inti Raymi (waar het Noord-Amerikaanse Newmont Mining achterzit). Beide mijnen hebben op een efficiënte manier de natuurlijke rijkdommen ontgonnen: lees "met zo weinig mogelijk verlies zoveel mogelijk uit de grond gehaald" met alle sociale en milieugevolgen vandien.
Enkele jaren geleden begon de huidige regering zich terug actiever te bemoeien met de mijnbouwsector. In 2007 werd een wet goedgekeurd zodat COMIBOL, het Boliviaanse overheidsmijnbouwbedrijf, opnieuw actief aan mijnbouw kon doen. Maar de gevolgen van 10 jaar negeren van de sector heeft ertoe geleid dat er in Bolivia amper aan exploratie is gedaan. Men heeft hooguit 10% van het grondgebied mijnbouwkundig in kaart gebracht. De grote hedendaagse exploitaties zijn bijna allemaal ontdekt in prekoloniale of koloniale periode, of bij het ontstaan van de republiek (1825).
Het nieuwe bewind vestigt haar hoop op inkomsten voornamelijk op de mijnbouw. Men gaat ervan uit dat het land enkel te ontwikkelen valt door het ontginnen van hun natuurlijke rijkdommen. Een bekend voorbeeld is de lithiumreserve in de zoutwoestijn van Uyuni. De Boliviaanse overheid heeft beslist om geen lithium als grondstof uit te voeren, maar enkel verwerkte producten, dit in tegenstelling tot buurland Chili. De doelstelling is om tegen 2015 dit uit te breiden naar de meeste mineralen. Tin, zink, bismut, wolfraam, antimoon, koper… zullen niet meer uitgevoerd worden als mineraal maar als verwerkt product. Op termijn zou er ook een staalproductie van de grond moeten komen.
De nieuwe wet wordt gebaseerd op de herschreven grondwet: alle natuurlijke rijkdommen zijn van iedereen en de staat is verantwoordelijk voor het beheer. Sommige reserves zijn exclusief voor de staat (zoals olie, en sommige mineralen). De wet wordt uitgewerkt door betrokkenen uit de sector: de Federatie van Mijnbouwcoöperatieven, de syndicale vereniging van werknemers actief in de mijnbouw, de vereniging van (middelgrote) mijnbouwbedrijven actief in Bolivia (!), de nationale kamer van kleine mijnbouwbedrijven, voor de staat: het ministerie van Mijnbouw en Metallurgie, het ministerie van Werk, en COMIBOL: de nationale mijnbouwmaatschappij. Elke artikel wordt met consensus goedgekeurd. Het idee is dat de wet op die manier gemakkelijker uitvoerbaar zal zijn, aangezien alle actoren samen hem zelf geschreven hebben. Op zich is het natuurlijk niet slecht dat de actoren betrokken worden, maar de afwezigheid van het ministerie van Milieu en Water, of de afwezigheid van betrokkenen die geen profijt halen uit mijnbouw: plattelandsbewoners wiens land verontreinigd wordt, vissers… zal ervoor zorgen dat de wet later hoogstwaarschijnlijk alsnog gecontesteerd zal worden.
Een van de belangrijke begrippen uit de oude wetgeving was het begrip: “Mijnbouwconcessie”. Op dit moment, de wet is nog steeds in voege, is het zo dat elk bedrijf, of elke particulier, in het bezit van zulke concessie (= een stuk grond) het recht heeft om mijnbouwactiviteiten uit te oefenen op dat terrein en het recht om dat niet te doen. Er bestond geen enkele verplichting om de concessie uit te baten. Een concessie is onbeperkt geldig mits het betalen van het patent, een jaarlijkse bijdrage. Een concessie is verhandelbaar, erfbaar, hypotheekbaar… en kan eigendom zijn van Bolivianen of buitenlanders, zonder onderscheid.
In de nieuwe wet vervalt het begrip concessie en wordt overgestapt op contracten met de staat. Alle bestaande concessies zullen vanaf ingang van de wet ook omgezet worden in contracten. Als er binnen de 2 jaar geen ontginning is opgestart vervalt het contract aan de staat. Een belangrijk verschil met de oude wetgeving. Maar: er bestaat een uitzondering voor de coöperatieven, een belangrijke sector binnen Bolivia, die in de grondwet al een uitzonderingsregime bedongen hadden, zij zullen nog wel via concessies werken. De mijnbouwcoöperatieven vormen een machtige sector in Bolivia (ongeveer 80 000 rechtstreekse werknemers) en slechts zelden durft de politiek hun belangen te schaden.
Een ander belangrijk nieuw aspect is de consulta publica. Vanaf nu moet er voor aanvang van elk nieuw project een volksraadpleging gebeuren binnen de invloedszone van de mijn waarbij de lokale bevolking zich kan uitspreken over het nieuwe project. Het referendum is echter niet bindend, wat vele sociale (en milieu-)organisaties tegen de borst stuit. Vanuit het publiek aanwezig op de megamijnbouwdagen werd de bezorgdheid over het niet-bindende karakter van dit soort referendum duidelijk tijdens de vragensessie. De viceminister gaf zelf aan dat geen bedrijf of overheid het zich in haar hoofd zal halen om een project te beginnen als de bevolking duidelijk tegen is. Het toegevoegde duidelijk laat natuurlijk nog veel ruimte open om bij een onduidelijk resultaat toch een mijn te starten. Aangezien de overheid aangeeft dat ze zelf veel inkomsten verwacht uit de mijnbouw is het best mogelijk dat men de lokale bevolking onder druk zet of tracht te overhalen om een project toch maar goed te keuren; of dat men ‘in het algemeen belang’ een mijnbouwproject toch zal trachten door te drukken.
Andere bezorgdheden van het aanwezige publiek gingen over het nationaliseren van de mijnen en de milieuproblematiek. Het nationaliseren van alle mijnen zou de overheid meteen veel meer inkomsten bezorgen en de uitbuiting door multinationale mijnbouwbedrijven stoppen. Het is zo dat de internationale mijnbouwbedrijven op dit moment enorm veel mineraal weghalen uit Bolivia, en er enorm weinig achterlaten (in de vorm van bijvoorbeeld belastingen, werkgelegenheid…) Maar de overheid wil niet weten van een algemene nationalisatie omdat: 1) "men streeft naar een co-existentie tussen overheid en privé-initiatief" (en men bestaande contracten/concessies niet wil/kan verbreken); 2) "men niet over de nodige expertise beschikt om zelf aan mijnbouw te doen": jarenlange verwaarlozing van de sector leidde tot een schrijnend tekort aan mijnbouwingenieurs/geologen/metallurgen…
De andere bezorgdheid, milieu, blijft een twistpunt tussen de verschillende sectoren. De staatsmijn Huanuni is een voorbeeld van hoe de overheid niet eens zijn eigen mijnen in de pas kan doen lopen, laat staan buitenlandse bedrijven die over meer expertise beschikken om milieuverontreiniging te maskeren. Er bestaat een milieuwet, maar de controle op de naleving van die wet laat te wensen over volgens de sociale en milieu-organisaties. Volgens de viceminister is de milieuvervuiling in bijvoorbeeld Huanuni historische vervuiling (na 400 jaar exploitatie is de hele rivier ernstig verontreinigd met metaalhoudend en zuur mijnwater-genererend sediment), maar ook vandaag zijn de gemeenschappen in de buurt zijn nog elke dag getuige van de absurde werking van de mijn: afvalwater van de chemische verwerkingsplant, sediment van de mineraalverwerking wordt nog steeds zonder enige verwerking in de rivier gedumpt, die enkele tientallen kilometers verderop in een beschermd natuurgebied uitmondt (de Ramsar site van de meren Uru-Uru en Poopó).
Andere bezorgdheden van de sociale en milieu-organisaties zijn de (ontbrekende of gebrekkige) controle op het gigantische waterverbruik van de dagbouwmijnen; het ontbreken of de slecht geargumenteerde, maar wel goedgekeurde milieulicenties; het gebrek aan sancties bij overtredingen…
Er wordt in de wet enkel sociale controle door de werknemers van de mijnbouwbedrijven voorzien, maar met de mensen die binnen de rechtstreekse invloedszone (stof, water, gassen) wonen of verderop stroomafwaarts van de mijn wordt weinig tot geen rekening gehouden. Het antwoord van de viceminister dat dat iets is voor een milieuwetgeving is in zekere zin correct, en legt de vinger op de wonde, deze laatste wordt namelijk erg gebrekkig uitgevoerd. De bezorgdheid is dat deze mijnbouwwetgeving de bedrijven zekere rechten zal toekennen die door de nieuwe milieuwetgeving niet meer herroepen zullen kunnen worden.
Het blijft afwachten of deze nieuwe wet de jarenlange uitbuiting door multinationale of buitenlandse mijnbouwbedrijven een halt kan toeroepen. Bolivia wordt op dit moment geplunderd, de waarde van het mineraal wordt meegenomen en de gigantische sociale en milieuschade blijft achter. Hopelijk heeft deze wet meer ambitie dan het binnenhalen van wat extra kruimels van de tafel van de transnationale mijnbouwbedrijven.